ECLI:NL:RBROT:2025:15099

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
10-218241-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor medeplegen van uitvoer van heroïne met bewezenverklaring van vervoeren en aanwezig hebben van 10 kilo heroïne

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van de uitvoer van heroïne. De verdachte werd ervan beschuldigd samen met een medeverdachte opzettelijk ongeveer 10 kilogram heroïne te hebben vervoerd met als bestemming België. De officier van justitie eiste een veroordeling voor het medeplegen van verlengde uitvoer van heroïne, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte voor deze beschuldiging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte op de dag van de feiten in een auto met Belgisch kenteken van België naar Nederland zijn gereden. Na de overdracht van een tas met heroïne werd de auto door de politie staande gehouden en werd de heroïne aangetroffen in een verborgen ruimte. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de verdachte de intentie had om de heroïne buiten Nederland te brengen, en sprak de verdachte vrij van de primaire beschuldiging van uitvoer. Echter, de rechtbank heeft wel vastgesteld dat de verdachte opzettelijk 10 kilogram heroïne heeft vervoerd en aanwezig gehad, wat bewezen is verklaard. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn rol in het delict en de impact op zijn gezin.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-218241-25
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Datum zitting: 9 oktober 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ( België ),
verblijvend op het adres [verblijfadres] [postcode] in [verblijfplaats] (België),
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. L.D. Lubrano
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met medeverdachte [medeverdachte] een partij heroïne heeft vervoerd met als bestemming België. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
primair
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet ongeveer 10 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die heroïne in een auto vervoerd met de bestemming België;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het medeplegen van verlengde uitvoer van heroïne.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het medeplegen van verlengde uitvoer van heroïne. De verdediging heeft zich ten aanzien van het vervoeren/aanwezig hebben van heroïne gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de verdediging wel opgemerkt dat hoogstens sprake is van voorwaardelijk opzet.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primair ten laste gelegde
Vast staat dat de verdachte en de medeverdachte die ochtend in een auto met Belgisch kenteken van België naar Nederland zijn gereden. Enkele minuten na de overdracht van een tas met daarin heroïne is de auto in Rotterdam staande gehouden door de politie. In een verborgen ruimte in de auto zijn blokken heroïne gevonden. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat hij vlak voor zijn staandehouding naar de plaatsnaam Luik in de applicatie Google Maps heeft gezocht.
Ter discussie staat of de verdachte en de medeverdachte de bedoeling hadden om de blokken heroïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen en hebben vervoerd met een buitenlandse bestemming. Het enkele feit dat de verdachte kennelijk op enig moment in Google Maps heeft gezocht naar Luik in België, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de verdachte en medeverdachte de heroïne naar Luik wilden brengen. Ook het feit dat de verdachten die ochtend vanuit België naar Nederland zijn gereden in een auto met Belgisch kenteken, vormt geen concrete aanwijzing dat de verdachten de heroïne naar België wilden uitvoeren. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verlengde uitvoer van verdovende middelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen subsidiair ten laste gelegde
Bewezen is dat de verdachte:
op 15 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd
enopzettelijk aanwezig heeft gehad 10 kilogram heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het subsidiaire feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1.
Verklaring van de verdachte [1]
2.
Proces-verbaal van de politie [2]
3.
Proces-verbaal van de politie [3]
4.
Proces-verbaal van de politie [4]
5.
Deskundigenverslagen [5]
Bewijsmotivering
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte en de medeverdachte willens en wetens naar Nederland zijn gereden om heroïne te gaan vervoeren. De verdachte en medeverdachte wisten vooraf waar de overdracht zou plaatsvinden en de verdachte heeft verklaard dat vooraf was afgesproken dat hij vijfduizend euro zouden krijgen als de heroïne afgeleverd zou worden.
De verklaring van de verdachte dat hij niet wist om welke hoeveelheid heroïne het zou gaan acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de opdrachtgever van de verdachte hem een dergelijke grote hoeveelheid heroïne met een straatwaarde van een half miljoen laat vervoeren zonder dat de verdachte hiervan kennis heeft, dit vanwege de risico’s die daarmee gepaard gaan. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat de verdachte wist welke hoeveelheid heroïne hij vervoerde en daarmee opzet heeft gehad op de vervoerde hoeveelheid heroïne.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor verlengde uitvoer van verdovende middelen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht in strafverminderende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verzocht wordt om een aanzienlijk deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft samen met de medeverdachte, zijn partner, 10 kilo heroïne vervoerd en aanwezig gehad. Op de bewuste ochtend had de verdachte een afspraak om in Rotterdam heroïne op te halen en dit vervolgens ergens af te leveren. De verdachte is met de medeverdachte, zijn partner, en hun driejarige dochter naar deze afspraak gegaan.
Het vervoeren en aanwezig hebben van heroïne is een ernstig feit. Heroïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid en ontwrichtend voor de maatschappij. Met de handel in heroïne wordt veel geld verdiend en de gehele keten hieromheen - van het land van herkomst tot en met de gebruiker - gaat gepaard met vele vormen van ernstige criminaliteit. De verdachte heeft met zijn handelen aan dit alles bijgedragen en zich daarbij kennelijk laten leiden door financieel gewin.
Specifiek in deze zaak zijn de gevolgen van het handelen van de verdachte ook groot voor zijn dochter van drie jaar. Omdat haar beide ouders in voorarrest zaten heeft de dochter 45 dagen doorgebracht zonder haar ouders. In die periode heeft familie hun dochter opgevangen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft verklaard dat hij schulden had omdat zijn bedrijf failliet is gegaan. De verdachte wil er voor zijn ouders zijn maar dat lukt niet vanuit detentie. Zijn partner, de medeverdachte, die niet meer in voorarrest zit, probeert wat werkzaamheden voor het bedrijf van zijn ouders te verrichten en zij zorgt voor zijn ouders.
4.3.3.
Oplegging straf
Gezien de ernst van het feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol van de verdachte in het geheel. De verdachte was de initiator van het plan en heeft de medeverdachte daarvan op de hoogte gebracht. Deze omstandigheid rechtvaardigt een differentiatie in de strafmaat ten opzichte van de medeverdachte, die geen initiërende en bepalende rol heeft gehad. De verdachte heeft doelbewust gehandeld en daarbij geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de uitvoer van heroïne.
Alles afwegende komt de rechtbank uit op een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van het voorarrest. Van deze gevangenisstraf wordt één jaar voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaren, met als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 3 (drie) jaar;
bepaalt dat
1 (één) jaar van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. S.M. den Hollander en mr. A.B. Baumgarten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 oktober 2025.
Mrs. Den Hollander en Baumgarten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 9 oktober 2025
2.[nummer proces-verbaal 1]
3.[nummer proces-verbaal 2]
4.[nummer proces-verbaal 3]
5.Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut