ECLI:NL:RBROT:2025:15098

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
10-218331-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen uitvoer heroïne met bewezenverklaring van vervoeren en aanwezig hebben van 10 kilo heroïne

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van de uitvoer van heroïne. De officier van justitie beschuldigde de verdachte ervan samen met een medeverdachte opzettelijk ongeveer 10 kilogram heroïne te hebben vervoerd met als bestemming België. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte op 15 juli 2025 in een auto met Belgisch kenteken van België naar Nederland zijn gereden. Na de overdracht van een tas met heroïne werd de auto door de politie staande gehouden, waarbij blokken heroïne in een verborgen ruimte werden aangetroffen. De verdediging pleitte voor vrijspraak van het primair ten laste gelegde, en de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de intentie om de heroïne naar België te vervoeren. De verdachte werd echter wel schuldig bevonden aan het subsidiaire feit van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van heroïne. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 405 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar rol in het delict en de impact op haar jonge dochter.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-218331-25
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Datum zitting: 9 oktober 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats 1] ( Albanië ),
verblijvend op het adres [verblijfadres] [postcode] in [verblijfplaats] ( België ).
Advocaat van de verdachte: mr. K.C. van de Wijngaart
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat - samen met medeverdachte [medeverdachte] een partij heroïne heeft vervoerd met als bestemming België. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
primair
zij op of omstreeks 15 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet ongeveer 10 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die heroïne in een auto vervoerd met de bestemming België;
subsidiair
zij op of omstreeks 15 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het medeplegen van verlengde uitvoer van heroïne.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het medeplegen van verlengde uitvoer van heroïne. De verdediging heeft zich ten aanzien van het vervoeren/aanwezig hebben van heroïne gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de verdediging wel opgemerkt dat hoogstens sprake is van voorwaardelijk opzet.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Vast staat dat de verdachte en de medeverdachte die ochtend in een auto met Belgisch kenteken van België naar Nederland zijn gereden. Enkele minuten na de overdracht van een tas met daarin heroïne is de auto in Rotterdam staande gehouden door de politie. In de verborgen ruimte van de auto zijn blokken heroïne gevonden. Uit onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte blijkt dat de medeverdachte na de overdracht en vlak voor de staandehouding naar de plaatsnaam Luik in de applicatie Google Maps heeft gezocht.
Ter discussie staat of de verdachte en de medeverdachte de bedoeling hadden de blokken heroïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen en hebben vervoerd met een buitenlandse bestemming. Het enkele feit dat de medeverdachte kennelijk op enig moment in Google Maps heeft gezocht naar Luik in België, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de verdachte en medeverdachte de heroïne naar Luik wilden brengen. Ook het feit dat de verdachten die ochtend vanuit België naar Nederland zijn gereden in een auto met Belgisch kenteken vormt geen concrete aanwijzing dat de verdachten heroïne naar België wilden uitvoeren. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verlengde uitvoer van verdovende middelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen van het subsidiair ten laste gelegde
Bewezen is dat de verdachte:
op 15 juli 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd
enopzettelijk aanwezig heeft gehad 10 kilogram heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het subsidiaire feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1.
Verklaring van de verdachte [1]
2.
Proces-verbaal van de politie [2]
3.
Proces-verbaal van de politie [3]
4.
Proces-verbaal van politie [4]
5.
Deskundigenverslagen [5]
Bewijsmotivering
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte en de medeverdachte willens en wetens naar Nederland reden om heroïne te gaan vervoeren. Immers, de verdachte heeft ter zitting verklaard dat ze wist dat de rit ‘iets met drugs te maken had’.
De verklaring van de verdachte dat zij niet wist om welke hoeveelheid heroïne het zou gaan acht de rechtbank ongeloofwaardig. De verdachte heeft de blokken heroïne in de verborgen ruimte gedaan, zodat zij in ieder geval op dat moment (bij benadering) wist welke hoeveelheid heroïne zij vervoerde en daarmee opzet heeft gehad op de vervoerde hoeveelheid heroïne.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor verlengde uitvoer van verdovende middelen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht in strafverminderende zin rekening te houden met het reclasseringsrapport, de gezondheid van de verdachte en de dochter van de verdachte. Verzocht wordt om een onvoorwaardelijke taakstraf van maximale duur en gevangenisstraf met een groot deel voorwaardelijk, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft samen met de medeverdachte, haar partner, 10 kilo heroïne vervoerd en aanwezig gehad. Op de bewuste ochtend had de medeverdachte een afspraak om in Rotterdam heroïne op te halen en dit vervolgens ergens af te leveren. De verdachte is met de medeverdachte en hun driejarige dochter naar deze afspraak gegaan.
Het vervoeren en aanwezig hebben van heroïne is een ernstig feit. Heroïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid en ontwrichtend voor de maatschappij. Met de handel in heroïne wordt veel geld verdiend en de gehele keten hieromheen - van het land van herkomst tot en met de gebruiker - gaat gepaard met vele vormen van ernstige criminaliteit. De verdachte heeft met haar handelen aan dit alles bijgedragen.
Specifiek in deze zaak zijn de gevolgen van het handelen van de verdachte ook groot voor haar dochter van drie jaar. Omdat haar beide ouders in voorarrest zaten heeft de dochter 45 dagen doorgebracht zonder haar ouders. In die periode heeft familie hun dochter opgevangen. Nadat de voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst heeft de verdachte de zorg voor haar dochter weer op zich genomen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport de reclassering
Uit het rapport van Reclassering Nederland van 8 oktober 2025 komt naar voren dat het delict voortkomt uit een financieel belang. De verdachte en haar partner, de medeverdachte, hadden geldproblemen. Als risicofactor wordt het niet hebben van structureel werk genoemd. Binnen het bedrijf van haar schoonouders verricht de verdachte nu werkzaamheden. Het ontbreekt de reclassering aan zicht op de rol van de verdachte binnen een negatief/crimineel netwerk. Het steunend sociaal familienetwerk van de verdachte wordt als positief en beschermend omschreven. De verdachte lijkt financiële stabiliteit te hebben gecreëerd. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering ziet geen noodzaak om een straf met bijzondere voorwaarden te adviseren. Op het gebied van emotionele belasting en financiële stabiliteit bestaan zorgen als haar partner gedetineerd blijft. Een gevangenisstraf zal nadelige consequenties hebben voor de driejarige dochter van de verdachte en haar partner. Als haar beide ouders gedetineerd raken kan zij niet thuis blijven wonen en is zij voor zorg afhankelijk van anderen. Ook is onduidelijk of de huurwoning kan worden aangehouden als beide ouders gedetineerd zitten.
Overige persoonlijke omstandigheden
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat zij erg ziek was toen ze uit detentie kwam. De verdachte is opgenomen geweest in het ziekenhuis en recentelijk heeft zij weer in het ziekenhuis gelegen. Als haar gezondheid het toelaat doet zij wat werk voor het bedrijf van haar schoonouders. Haar schoonouders zijn ziek en zij zorgt voor hen. Haar partner die nu gedetineerd zit, de medeverdachte, is enig kind, waardoor de zorg van haar schoonouders op haar schouders rust. Door de periode dat de verdachte en medeverdachte beiden in voorarrest zaten heeft hun driejarige dochter angst ontwikkeld om alleen gelaten te worden.
4.3.3.
Oplegging straffen
Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats rekening gehouden met de rol van de verdachte in het geheel. De verdachte was niet de initiator van het plan, maar is van het plan van de medeverdachte op de hoogte gesteld en heeft vervolgens besloten mee te gaan. Deze omstandigheid rechtvaardigt een differentiatie in de strafmaat ten opzichte van de medeverdachte, die de initiërende en bepalende rol heeft gehad. In de tweede plaats heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit de stukken die de raadsvrouw heeft overgelegd blijkt dat de verdachte kampt met medische problematiek. Tot slot heeft de rechtbank in haar beoordeling zwaar meegewogen dat de verdachte een jonge dochter heeft voor wie zij al geruime tijd als enige de primaire zorg draagt. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat er signalen zijn dat het kind, gedurende de voorlopige hechtenis van de verdachte, verlatingsangst heeft opgelopen. Daarnaast blijkt dat het voor de zus van de verdachte moeilijk zal zijn om de zorg van het kind over te nemen in het geval van detentie. De rechtbank acht het van belang dat het kind niet de dupe wordt van het handelen van haar ouders.
Alles afwegende komt de rechtbank uit op een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel - 45 dagen - gelijk is aan de duur van het voorarrest. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. Het voorwaardelijk strafdeel heeft een duur van 360 dagen, met een proeftijd van 2 jaren en heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Gelet op de ernst van het feit is naast de voornoemde gevangenisstraf een geheel onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden van de maximale duur van 240 uren.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 405 (vierhonderdvijf) dagen;
bepaalt dat
360 (driehonderdzestig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. S.M. den Hollander en mr. A.B. Baumgarten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 oktober 2025.
Mrs. Den Hollander en Baumgarten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 9 oktober 2025
2.[nummer proces-verbaal 1]
3.[nummer proces-verbaal 2]
4.[nummer proces-verbaal 3]
5.Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut