ECLI:NL:RBROT:2025:15025

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
10-202928-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met brandstichting, diefstallen en bedreiging met een mes

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van bedreiging met brandstichting, drie diefstallen en bedreiging van drie personen met een mes. De feiten vonden plaats in Rotterdam, waarbij de verdachte op 1 juli 2025 in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum een jerrycan met diesel leeggoot en de aanwezigen bedreigde. De verdachte heeft ook drie mensen bedreigd met een mes en drie diefstallen gepleegd bij verschillende winkels. De verdediging verzocht om vermindering van toerekeningsvatbaarheid vanwege verslavingsproblematiek en paranoïde achtervolgingswanen, maar de rechtbank wees dit verzoek af. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een ernstige bedreiging vormde voor de veiligheid van anderen en dat zijn gedrag onacceptabel was, vooral in een ziekenhuisomgeving. De verdachte werd schuldig bevonden aan de feiten zoals ten laste gelegd, met uitzondering van de poging tot brandstichting en een van de diefstallen, waarvan hij werd vrijgesproken.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-202928-25
Datum uitspraak: 22 december 2025
Datum zitting: 8 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.J.R. van Walsem
Officier van justitie: mr. F.J. van der Putte
Kern van het vonnis
De verdachte heeft mensen in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van een ziekenhuis bedreigd met brandstichting, heeft drie mensen bedreigd met een mes en heeft drie diefstallen gepleegd. De verdediging heeft verzocht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren gelet op zijn verslavingsproblematiek en paranoïde achtervolgingswanen, maar de rechtbank gaat hier niet in mee en legt uit waarom. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – heeft geprobeerd brand te stichten in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van een ziekenhuis of personen daarmee heeft bedreigd, drie personen heeft bedreigd met een mes en drie diefstallen heeft gepleegd.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1. primair
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten goederen die zich in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum bevinden te duchten was, in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum een hoeveelheid diesel, althans een ontvlambare vloeistof, op de grond heeft gegoten en/of daarbij een aansteker vast heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Rotterdam, personen aanwezig in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting
door in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum een hoeveelheid diesel, althans een ontvlambare vloeistof, op de grond te gieten en/of daarbij een aansteker vast te houden, in elk geval gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
2
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Rotterdam, een hoeveelheid diesel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Shell (gelegen op/aan de 's-Gravendijkwal), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, een mes, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Action (gevestigd op/aan de Lombardkade te Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, een mes, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Action (gevestigd op/aan de Kleiweg te Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- achter die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan te rennen en/of
- ( vervolgens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;
6
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen aan die [slachtoffer 3] en/of met dat voorwerp stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 3] ;
7
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, een mes, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Action (gevestigd op/aan de Karel Doornmanstraat te Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 subsidiair, 2, 4, 5, 6 en 7 en de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 3.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 3, 4 en 6. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2, 5 en 7 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak (feiten 1 primair en 3)
De beschuldiging onder feit 1 primair (poging brandstichting) en feit 3 (diefstal Action Lombardkade) is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (feiten 1 subsidiair, 2, 4, 5, 6 en 7)
Bewezen is dat de verdachte de aanwezigen in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis heeft bedreigd met brandstichting, drie mensen heeft bedreigd met een mes en drie diefstallen heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
Feiten 1 subsidiair en 2
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [naam aangeefster 1] [2]
Ik doe namens het Erasmus Medisch Centrum aangifte van poging brandstichting. Op 1 juli 2025 rond 23:50 uur betrad een half ontklede man ons pand met een jerrycan. Hij goot die leeg op de grond en riep naar de in de wachtkamer aanwezige mensen dat zij naar buiten moesten.
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 1] [3]
Op 2 juli 2025 (
de rechtbank begrijpt: 1 juli 2025) omstreeks 23:55 uur was ik werkzaam als beveiliger in het Erasmus ziekenhuis in Rotterdam. Net voor twaalf uur zag ik een man staan in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis. Dit was voor de intake balie. Ik hoorde de man roepen: “alle patiënten weg, alle patiënten weg”. Ik zag dat de man een blauwkleurige jerrycan in zijn handen had. Ik zag dat hij de jerrycan omdraaide en er een geel kleurige vloeistof uit de jerrycan kwam. Na het gieten van vermoedelijk benzine is de man het ziekenhuis uitgelopen en is hij op zijn fiets gestapt.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 2] [4]
Op 2 juli 2025 (
de rechtbank begrijpt: 1 juli 2025) had ik nachtdienst op de Spoedeisende Hulp van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. Ik liep op de afdeling en toen hoorde ik ineens een hoop geschreeuw vanuit de kant van de wachtkamer komen. Ik heb de klapdeuren opengemaakt. Ik rook wel direct een stof waarvan ik dacht dat is gek. Ik wist ook dat er mensen in de wachtkamer zaten. Ik zag een man bij de toegangsdeur van de wachtkamer staan in een ontbloot bovenlijf. Ik dacht die gozer moet hier meteen weg. Ik zag namelijk dat er een grote plas met vloeistof op de grond lag. Toen ik de wachtkamer in liep op het moment dat ik die gozer hoorde schreeuwen en die lucht rook dacht ik dit is wel even gevaarlijk. Als hij dit aansteekt hebben we een groot probleem. Ik heb mij op het moment wel angstig en bedreigd gevoeld. Vooral door wat er had kunnen gebeuren en de positie waar hij ons in bracht.
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
Ik bekeek de beelden van 1 juli 2025 van het ziekenhuis Erasmus Medisch Centrum gelegen aan Dr. Molewaterplein 40 te Rotterdam. De camera's staan gericht op de buiten- en binnenkant van de ingang van de spoedeisend hulp.
Ik zag dat om 23:50:07 uur een man voor de ingang langs kwam fietsen. Ik zag dat hij een blauwgekleurde jerrycan en een zwarte zomerjas in zijn linkerhand had. Ik omschrijf de man als volgt: man, blank/licht getint, tussen de 35 en 45 jaar oud, mager postuur, opgezette borstkas, kort donker haar, ontbloot bovenlijf, grijze lange broek, zwarte onderbroek met lichtgekleurde band en zwarte schoenen met witte zool. Verder in dit proces verbaal 'verdachte' genoemd.
Om 23:50:13 uur zag ik dat de verdachte zijn fiets en zijn jas op de grond liet vallen en met de blauwe jerrycan naar binnen liep.
Om 23:50:27 uur zag ik dat de verdachte de vloeistof uit de jerrycan over de grond gooide, waarbij er ook vloeistof op hemzelf terecht kwam.
Om 23:50:34 uur zag ik dat de verdachte de jerrycan op de grond gooide en druk leek te communiceren met de mensen achter de balie en met de mensen in de wachtruimte. Ik zag dit aan zijn handgebaren, het bewegen van zijn mond en de reactie van de mensen om hem heen. Ik zag dat de verdachte de mensen richting de gang gebaarde waar de beveiligers stonden. Ik zag dat de verdachte zelf in de deuropening ging staan en dat hij een klein voorwerp in zijn rechterhand heeft.
Om 23:51:05 uur zag ik dat de verdachte omkeerde en weer naar buiten liep.
5.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [naam aangeefster 2] [6]
Ik doe aangifte van diefstal namens mijn werkgever Shell, gelegen aan de 's-Gravendijkwal 175 in Rotterdam. Ik ben gemachtigd tot het doen van aangifte.
Op 1 juli 2025 omstreeks 23.28 uur heeft er een diefstal plaatsgevonden bij de Shell aan de 's -Gravendijkwal 175 in Rotterdam. Een man pakte een ad-blue jerrycan en leegde deze bij pomp 7 op de grond. Vervolgens tankte hij deze jerrycan met V-power Diesel en fietste weg zonder te betalen. Ik kan de man als volgt omschrijven: man, blanke huidskleur, zwart haar, ingevallen gezicht, kwam op een fiets, wit shirt aan, grijze broek, zwarte schoenen. De man verliet om 23.30 uur het Shell terrein.
6.
Proces-verbaal van de politie [7]
Op 2 juli 2025 bekeek ik de veiliggestelde camerabeelden van de Shell aan de ’s- Gravendijkwal 175 te Rotterdam (hierna: Shell). Ik zag dat er vier verschillende bestanden aanwezig waren. Ik zag dat deze bestanden van verschillende camera's waren, gericht op het terrein van de Shell. Ik zag dat er een tijdsaanduiding aanwezig was op de camerabeelden. De tijdsaanduiding komt overeen met de daadwerkelijke tijd. Alle tijdstippen welke ik in dit proces-verbaal benoem, dateren van 1 juli 2025.
Camera voorterrein links
Om 23:27:58 uur verscheen een man in beeld. Ik zag dat de man over het tankplatform heen fietste op een witte dames fiets. Ik zag dat hij het volgende signalement had: man, lichtkleurige bovenkleding en een blauwe broek. Ik herkende hem direct als de verdachte op de eerdergenoemde beelden van het EMC.
Camera entree
Ik zag dat de verdachte de winkel binnen liep. Ik zag zijn signalement duidelijker. Ik zag dat hij een wit shirt aanhad en een blauwe broek droeg. Ik wil opmerken dat ik deze broek herken als de broek die hij aanhad op de beelden van het EMC.
Ik zag dat de verdachte de winkel om 23:28:28 uur uitliep. Ik zag dat hij opvallende blauwe schoenen aanhad. Ik zag dat deze voorzien waren van witte veters. Ik herken deze schoenen als de schoenen die de verdachte droeg in het EMC.
Camera voorterrein rechts
Ik zag dat de verdachte om 23:28:28 uur uit de winkel gelopen kwam. Ik zag dat zijn fiets duidelijker in beeld was. Ik zag dat de fiets volledig overeenkwam met de fiets van de verdachte in het EMC. Ik zag dat er een jas over de fiets van de verdachte heen hing. Ook deze herkende ik als de jas van de verdachte van het EMC.
Ik zag dat de verdachte na het verlaten van de winkel direct rechts ging. Ik zag dat de verdachte een blauwe jerrycan pakte. Ik zag dat hij de dop van de jerrycan losmaakte en dat hij de inhoud van deze jerrycan op de grond gooide. Ik zag dat hij de slang van de pomp 11 seconden in de jerrycan had gestopt en hem er weer uithaalde.
Ik zag dat de verdachte de dop van de jerrycan er weer op draaide. Ik zag dat hij naar zijn fiets liep en op zijn fiets stapte. Ik zag dat hij wegfietste in de richting van het EMC.
Feiten 1 subsidiair en 2, identificatie verdachte
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
Op 3 juli 2025 waren wij, verbalisanten, in burger gekleed, op zoek naar de verdachte in Rotterdam Centrum.
Na het zien van een screenshot van de camerabeelden van het Erasmus Medisch Centrum, verklaarde een man bij de deur van de Pauluskerk: “Ja dat is [voornaam verdachte] ! Ik ken hem goed. Hij
verblijft soms aan de [adres 1] ”.
Ik, verbalisant [naam verbalisant 1] , nam vervolgens contact op met collega [naam verbalisant 2] om te vragen of hij een zoekslag wilde maken in het politiesysteem 'Basisvoorziening Informatie' (BVI) om te kijken of er een [voornaam verdachte] stond ingeschreven aan de [adres 1] . Ik hoorde collega [naam verbalisant 2] verklaren dat er geen [voornaam verdachte] in de [straatnaam] stond ingeschreven in de buurt van perceelnummer [nummer] , maar dat hij wel had gezien dat er in het verleden ene [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ) was gecontroleerd en was gekoppeld aan de [straatnaam] perceelnummer [nummer] .
Wij werden vervolgens aangesproken door een voor ons onbekend gebleven vrouw, die vroeg of we iemand zochten. Ik liet vervolgens de screenshot zien van de camerabeelden waarop de verdachte van de poging brandstichting te zien was. Ik hoorde vervolgens de vrouw verklaren: "Dat is [voornaam verdachte] ! Misschien dat hij nu in de ‘De Huiskamer’ verblijft aan de ’s-Gravendijkwal”.
Wij, verbalisanten, zagen vervolgens een man ons benaderen, waarna hij vroeg wie wij zochten. Ik, verbalisant [naam verbalisant 1] , liet de man vervolgens dezelfde screenshot van de verdachte zien. Ik hoorde de man verklaren: “ [voornaam verdachte] ! Hij zit denk ik op dit moment bij ‘De Huiskamer’ aan de ’s-Gravendijkwal”. De identiteit van deze man is ons onbekend gebleven.
Wij, verbalisanten, zijn vervolgens naar ‘De Huiskamer’ gegaan aan de ' [adres 2] te Rotterdam. Dit betrof een dagactiviteitencentrum van stichting Antes. Aldaar spraken wij met een medewerker van de stichting wiens identiteit voor ons onbekend is gebleven. Wij legitimeerden ons als politie en verklaarden op zoek te zijn naar ene ‘ [voornaam verdachte] ’. Ik, verbalisant [naam verbalisant 1] , liet de vrouw de screenshot van de camerabeelden zien, waarop de verdachte te zien was. Ik hoorde de vrouw verklaren: “Ja, die ken ik wel. Dat is [voornaam verdachte] . Hij zit op het moment bij ons binnen.”. Wij, verbalisanten zagen op dat moment een man naar buiten lopen die wij meteen herkenden als de verdachte van de vernieling, diefstal en poging tot brandstichting bij het Erasmus Medisch Centrum. Wij herkenden hem aan zijn uiterlijke verschijning namelijk: licht getint, mager en gespierd postuur, Noord-Afrikaans/Midden-Oosters uiterlijk, donkerkleurig, kort haar, geen gezichtsbeharing, grijze broek welke achterstevoren lijkt te zitten.
Ik, verbalisant [naam verbalisant 1] , hield vervolgens de verdachte staande. Ik zag in het politiesysteem 'Mobiel Effectief Op Straat' (MEOS) dat de volgende persoon gevonden was: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te Rotterdam.
Wij, verbalisanten hielden vervolgens [verdachte] aan ter zake van vernieling, diefstal en poging tot brandstichting.
8.
Proces-verbaal van de politie [9]
Ik hoorde beide verbalisanten, die op 3 juli 2025 [verdachte] hadden aangehouden zeggen dat ze zagen dat zijn bovenlichaam volledig overeenkwam met het ontblote bovenlichaam van de verdachte in het EMC. Ze zagen namelijk dat de verdachte erg mager was, maar toch een opvallend bolle torso had. Daarnaast hoorde ik dat ze beiden de broek die de verdachte aanhad herkenden als de broek die de verdachte in het EMC aanhad. Ik hoorde dat ze zeiden dat de verdachte de broek verkeerdom droeg.
Op 3 juli 2025 bekeek ik de foto's in het bovengenoemde proces-verbaal. Ik zag dat er een foto tussen zat van [verdachte] bij zijn aanhouding. Ik zag dat hij een donkerkleurige broek aan had. Ik zag dat deze broek verkeerd was aangetrokken. Ik zag namelijk dat de voorzijde van de broek aan de achterzijde bevond en dat de achterzijde van de broek aan de voorkant bevond. Ik zag dat de verdachte in het EMC en bij het tankstation bij de Shell dezelfde broek op dezelfde wijze droeg als [verdachte] bij zijn aanhouding.
Feit 4
9.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [naam aangeefster 4] [10]
Ik doe aangifte van diefstal uit de Action aan de Kleiweg in Rotterdam op 4 augustus 2025, tussen 17.49 uur en 17.53 uur. Ik was zelf niet aanwezig die dag maar ik ben de manager van de afdeling en mij werd vandaag gevraagd te kijken naar de beelden.
Ik zag op de beelden dat de verdachte een mes uit het schap van de Koken en Bakken afdeling pakte en in zijn zak stopte. Ik zag dat dit een Redstone Chefsknife 19 cm, betrof met een waarde van 1,99 euro, en hierna langs de kassa liep zonder te betalen en vervolgens de winkel verliet.
10.
Proces-verbaal van de politie [11]
Ik deed onderzoek naar de camerabeelden die door de aangeefster vrijwillig waren aangeleverd naar aanleiding van een diefstal bij de Action aan de Kleiweg in Rotterdam.
Ik bekeek de beelden [bestandsnaam 1] , ik zag dat de camera in de winkel hing en
gericht stond op de ingangspoortjes. Ik zag boven in beeld 04-08-2025 17:49:48 staan.
Ik zag dat er een man de winkel in kwam lopen met het volgende signalement: man, licht getinte huidskleur, donker kort haar, bordeaux/bruin vest/trui met capuchon, lichtblauwe spijkerbroek en grijze sneakers met een witte zool. Ik herkende deze man als de verdachte [verdachte] . Hierna stopten de beelden.
Ik bekeek de beelden [bestandsnaam 2] . Ik zag dat de beelden gericht stonden op een schap met huishoudelijke producten. Ik zag dat de verdachte naast een schap stilstond en daar iets uit pakte. Ik zag dat de verdachte met zijn rug naar de camera stond en zijn handen voor zijn lichaam bewoog. Ik zag dat hij een trekkende beweging met zijn armen opzij maakte, alsof hij iets lostrok. Ik zag dat de verdachte vervolgens op een mes gelijkend
voorwerp in zijn rechterjaszak deed. Hierna loopt de verdachte uit beeld en stopte de beelden.
Ik bekeek de beelden [bestandsnaam 3] , ik zag dat deze gericht stond op de kassa. Ik zag dat de verdachte in de richting van de kassa kwam lopen. Ik zag dat de verdachte langs de kassa liep zonder iets af te rekenen.
Feit 5
11.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [naam aangeefster 3] [12]
Ik doe aangifte van bedreiging gepleegd op 4 augustus 2025 omstreeks 17.45 uur bij de Action op de Kleiweg 141 in Rotterdam.
Ik ging die dag met een vriendin naar de Action. Een man liep langs ons bij de kassa. Het personeel van de Action zei dat hij iets had gestolen. De man ging naar buiten. Toen ik naar buiten ging zag ik aan de overkant van de straat die man staan. Hij pakte een mes uit de zak van zijn hoodie. Dit was een heel groot mes. De man zag er als volgt uit: man, licht getint, donkerbruin of zwart haar, kort baardje, bruine hoodie en een grijze spijkerbroek.
Wij reden heel dicht langs hem. Wij reden heel zachtjes om te kijken wat hij deed. De man stond op en zei: “wacht maar!”. Hij rende toen achter ons aan met het mes richting ons. Hij pakte het mes weer vast in zijn hand. De man zette toen zijn fiets weg, draaide zich om en rende op ons af. Hij had het mes in zijn hand en zwaaide hiermee richting ons. Ik voelde me echt enorm erg bedreigd.
12.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 2] [13]
Ik doe aangifte van bedreiging. De bedreiging vond plaats vanaf de Action aan de Kleiweg 141 tot aan een zijstraat van de Bergweg.
Op 4 augustus 2025, omstreeks 18.00 uur, was ik bij de Action. Mijn vriendin was binnen. Ik zat op de scooter. Voordat mijn vriendin naar buiten kwam zag ik dat een man naar buiten kwam. Ik omschrijf hem als volgt: licht getint, ongeveer 1.80 lang, hoodie.
Ik zag dat er mes stak uit de zak van de hoodie van de man . Ik zag dat het lemmet van het mes duidelijk zichtbaar was. Op het moment dat wij hem passeerden hoorde ik dat hij zei: “Wacht maar, wacht maar”. Toen hij dit deed zag ik dat hij met het mes meerdere steekbewegingen maakte naar ons toe. Ik was oprecht bang en het voelde alsof hij echt de intentie had dat hij ons wilde steken. Ik zag dat hij de hele tijd het mes in zijn hand hield. Ik zag dat hij met snelheid onze richting op kwam rennen en zag dat hij met het mes steekbewegingen in onze richting maakte. Ik voelde me echt bang, ik had het gevoel dat hij ons echt wilde steken. Ik zag dat mijn vriendin zo bang was dat zij van de scooter afviel.
Feit 6
13.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [naam aangever 1] [14]
Ik doe aangifte van bedreiging gepleegd op 4 augustus 2025 omstreeks 21.00 uur bij de Albert Heijn op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam.
Ik was in de Albert Heijn aan het werk en ik hoorde wat geroep. Toen ik me had omgedraaid zag ik een man met een mes staan. Hij zag er als volgt uit: man, bruine jas aan, rode Dirk tas bij hem, kort zwart haar, 190 centimeter lang, klein baardje en licht getinte huidskleur.
Ik zag dat hij aan het zwaaien was met het mes. Ik hoorde dat hij zei in woorden van gelijke strekking: “Ik ga mensen doodsteken als ze in mijn weg staan of mij lastigvallen”. Ik vond dit erg eng. Vooral omdat de man ook een enorm mes had. Dit was met het besef dat hij het dus echt kon doen en iemand kon neersteken. Ik voelde mij echt bedreigd. Dit was een dreigende situatie. Hij maakte met zijn onderarm vooral bewegingen. Hij was aan het wijzen met het mes en aan het op en neer gaan als een soort dirigent. Dit
was een vrij lang keukenmes.
14.
Proces-verbaal van de politie [15]
Ik was belast met het opsporingsonderzoek naar de bedreiging gepleegd op 4 augustus 2025 omstreeks 21.00 uur bij de Albert Heijn Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Ik nam de beveiligingscamerabeelden in ontvangst die ik van de Albert Heijn had gekregen. De beelden zijn in kleur en van goede kwaliteit. De datum- en tijdsaanduiding die op
de camerabeelden is te zien is correct.
Ik zag op 2025-08-04 om 20:59:32 uur een man die er als volgt uit zag: man, donkerbruin kort haar, korte donkerbruine baard, licht getinte huidskleur, bruine trui aan, grijze broek aan en een rode Dirk tas bij hem. Ik zal naar deze man vanaf nu verwijzen als de verdachte.
Ik zag om 20:59:37 uur dat de verdachte met zijn rechterhand een groot vleesmes tevoorschijn haalde en zijn arm omhoog bewoog.
Ik zag om 20:59:44 uur dat de verdachte met het mes voor zich uit verder liep de winkel in. Ik zag dat de verdachte richting winkelende mensen liep. Ik zag dat deze personen schrokken van de verdachte en snel wegliepen.
Ik zag om 20:59:45 uur dat de verdachte zijn rechterarm helemaal rechtuit voor zich heen wees met het mes nog steeds in zijn hand. Ik zag dat de verdachte met de punt van het mes richting een andere man wees. Ik zag dat de verdachte zich hierna omdraaide en richting andere omstanders liep.
Ik zag om 20:59:49 uur dat de verdachte wederom zijn arm recht voor zich uit stak en met het mes vooruit richting een omstander wees. Ik zag dat de omstanders hiervan opkeken en snel weg probeerden te lopen.
Ik zag om 20:59:51 uur dat de verdachte weer met het mes richting een omstander wees.
Ik zag om 20:59:54 uur dat de verdachte richting deze man liep en met het mes richting hem wees en druk heen en weer zwaaide. Ik zag dat de man hierop verschrikt om keek richting de verdachte.
Ik zag om 20:59:56 uur dat de verdachte direct achter deze man ging staan.
Ik zag om 20:59:59 uur dat de verdachte weer wegliep van deze man en met het mes voor
zich uit wees.
Ik zag om 21:00:03 uur dat de verdachte weer een ander pad in liep met het mes voor zich uit.
Ik zag om 21:00:09 uur dat de verdachte verder liep met het mes nog in zijn rechterhand. Ik zag dat de verdachte uit beeld verdween en niet meer terug in beeld kwam.
Feit 7
15.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [naam aangever 2] [16]
Ik doe aangifte van een diefstal van een keukenmes uit de Action. Ik ben teamleider van de Action en gerechtigd tot het doen van aangifte voor de winkeldiefstal.
Op 9 augustus 2025, omstreeks 19.07 uur, was ik werkzaam in de Action als teamleider. Ik kreeg door van een collega dat een verdachte man een mandje had neergezet, en vervolgens een keukenmes had gepakt uit het schap en richting de kassa was gelopen. Ter hoogte van de kassa's zag ik een man die een keukenmes in zijn broeksriem probeerde te stoppen. Ik zag dat de man er als volgt uitzag: grijs vest met capuchon, zwart jas en zwarte broek.
16.
Proces-verbaal van de politie [17]
Op 9 augustus 2025, stuurde ik mijn collega [naam verbalisant 3] op zijn verzoek vier fotografische opnames door van de verdachte van de Action aan de Karel Doormanstraat in Rotterdam.
[naam verbalisant 3] verklaarde mij dat hij de verdachte van de diefstal herkende. [naam verbalisant 3] verklaarde mij dat het om de volgende man zou gaan: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] .
Ik herken deze naam. Ik herken deze naam van een aanhouding buiten heterdaad waar ik bij betrokken ben geweest. Dit betrof een incident waarbij [verdachte] bij het Erasmus Medisch Centrum heeft gepoogd om brand te stichten met behulp van een brandbare stof. Wat ik mij herinner van [verdachte] is dat hij ingevallen wangen had. Iets wat ik ook zag op de foto's die ik van de camerabeelden van de Action had gemaakt.
17.
Proces-verbaal van de politie [18]
Ik was belast met het onderzoek naar een winkeldiefstal en bedreiging, gepleegd bij de Action, gelegen aan de Karel Doormanstraat te Rotterdam.
Ik zag dat de Action camerabeelden aangeleverd had van de diefstal. Ik bekeek deze beelden en zag dat de verdachte [verdachte] zich bevond in de Action. Ik kon op de beelden niet zien welke handelingen hij verrichtte. Ik zag op andere beelden dat verdachte [verdachte] zich richting de uitgang van de Action begaf. Ik zag dat hij hierbij wat rondom zijn broeksband voelde en deed. Ik zag dat hij de kassa passeerde en hierna met een voorwerp stond te zwaaien.
Feit 4, 5, 6 en 7, identificatie verdachte
18.
Proces-verbaal van de politie [19]
Op 6 augustus 2025 zag ik via een bericht op 4 augustus 2025 een aandachtvestiging van politiefunctionaris [naam verbalisant 4] . Daarin werd de herkenning van een persoon gevraagd, op basis van een fotografische opname en de melding dat deze verdachte een mes heeft gestolen bij de Action in ‘1300’-gebied en met dat mes stond te zwaaien.
De persoon op de verstrekte foto herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als politiefunctionaris betrokken bij een ander soortgelijk incident. Op 4 augustus 2025 omstreeks 11:15 uur werd ik samen met politiefunctionaris [naam verbalisant 5] ter plaatse verzocht bij de winkel 'Action' op de Lombardkade 1 te Rotterdam. Aldaar was er melding binnengekomen dat er een persoon messen uit de winkel had gestolen en daarmee een medewerker had bedreigd. Ter plaatse liet de bedrijfsleider van de 'Action' beveiligingscamerabeelden aan ons zien, waarvan ik fotografische opnames had gemaakt.
Op 4 augustus 2025 omstreeks 20:45 uur zag ik dat politiefunctionaris [naam verbalisant 4] een bericht had gestuurd, waarin de herkenning werd verzocht van een verdachte van een diefstal bij de winkel 'Action' op de Kleiweg 141 te Rotterdam. Ik zag dat in dit verzoek ook stond vermeld dat vermoedelijk dezelfde verdachte ook een diefstal had gepleegd in de winkel 'Albert Heijn' op de Nieuwe Binnenweg 288 B te Rotterdam, van deze diefstal waren andere foto's aangeleverd van de verdachte. Ik zag dat de verdachte gelijke kledij droeg tijdens het incident op de Kleiweg en de Nieuwe Binnenweg.
Op 5 augustus 2025 om 19:00 uur zag ik een bericht van een medewerker van Arrestantentaken Centrum Rotterdam. De medewerker van Arrestantentaken Centrum Rotterdam had de verdachte herkend, als zijnde een verdachte die in de nacht op 4 op 5 augustus 2025 was aangehouden voor een diefstal van een fiets in het centrum van Rotterdam.
Ik stelde een onderzoek in naar de informatie in de politiebedrijfsprocessensystemen en onderzocht welke personen op die dag waren ingesloten in het arrestantenverblijf Doelwater van het centrum van Rotterdam. Ik zag dat er een verdachte was ingesloten geweest voor dit misdrijf. Ik zag dat in de politieomgeving een fotografische opname beschikbaar was, gemaakt door de aanhoudende verbalisanten, van de verdachte. Ik zag dat de verdachte van dit incident gelijkende uiterlijke kenmerken vertoonde alsmede dezelfde kledij als de verdachte van de incidenten op de Kleiweg en Nieuwe Binnenweg. Ik zag dat de verdachte de volgende identiteit had: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .
Op 9 augustus 2025 omstreeks 19:30 uur was ik werkzaam als politiefunctionaris. Ik zag dat een incident was aangemaakt op de Karel Doormanstraat 400 te Rotterdam. Hierin was een melding gemaakt dat er bij de winkel ‘Action’ op deze locatie zojuist een winkeldiefstal was gepleegd, waarbij twee messen waren gestolen en dat de verdachte het volgende signalement had: man, donker getint, lengte ongeveer 1.75 m, tussen 20 en 25 jaar oud, zwart vest, grijze capuchon, grijze joggingbroek en zwarte schoenen. Ik zag dat de verdachte op de fotografische opname die van de camerabeelden waren gemaakt, gelijkende uiterlijke kenmerken vertoonde als [voornaam verdachte] .
De laatste keer dat ik hem zag was op 4 augustus 2025 om 11:30 uur. Het contact duurde toen ongeveer 2 minuten, via camerabeelden.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken:
- lengte;
- kleur haar;
- lichaamsbouw;
- houding van zijn hoofd ten opzichte van zijn nek, licht voorover;
- grootte van zijn neus;
- donkere ingevallen ogen;
- dikke wenkbrauwen;
- ingevallen wangen.
2.3.3.
Bewijsmotivering
Feit 1 subsidiair
Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 1 juli 2025 met ontbloot bovenlichaam en luid roepend en met zijn armen zwaaiend de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis binnenkwam, waarna hij uit een jerrycan brandstof over de grond uitgoot. De verdachte riep hierbij tegen de mensen in de wachtruimte dat zij weg moesten gaan en had hierbij een klein voorwerp in zijn handen. De verdachte is op de camerabeelden herkend. De rechtbank is van oordeel dat hierbij sprake was van een voor de aanwezigen uiterst dreigende en onvoorspelbare situatie. Het is aannemelijk dat in deze situatie bij de personen in de wachtruimte de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat de verdachte op dat moment in staat en van plan was een brandbare vloeistof aan te steken.
Anders dan de verdediging, acht de rechtbank gelet op het voorgaande en de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen de bedreiging met brandstichting zoals ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen.
Feiten 2, 5 en 7
Aangezien de verdediging zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 2, 5 en 7, zal de rechtbank deze bewezenverklaringen niet verder motiveren nu deze volgen uit de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen.
Feit 4
Uit het dossier blijkt dat er aangifte is gedaan van diefstal op 4 augustus 2025 bij de Action aan de Kleiweg, waarbij een Redstone mes is gestolen. De camerabeelden zijn uitgekeken en de verdachte wordt door de verbalisant herkend.
De verdediging heeft aangevoerd dat een medewerker van de Action heeft verklaard dat dit mes niet bij de Action verkocht wordt en dat dit een dusdanige contra-indicatie is, dat het feit niet kan worden bewezen. In de aangifte door de manager van de afdeling wordt naar het oordeel van de rechtbank echter duidelijk beschreven dat zij gezien heeft dat de verdachte bij het schap van de Koken en Bakken afdeling staat, dat hij daar een specifiek type mes pakt, te weten een Redstone Chefsknife 19 cm van € 1,99, en deze in zijn zak stopt. Daarom acht de rechtbank het onaannemelijk dat dit mes niet in deze winkel wordt verkocht. Het verweer wordt verworpen. Het feit is dan ook gelet op het voorgaande en de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.
Feit 6
Uit het dossier blijkt dat er aangifte is gedaan van een bedreiging in de Albert Heijn op 4 augustus 2025 door een man met een mes, waarbij de man zei dat hij mensen zou gaan doodsteken als ze in zijn weg zouden staan of hem zouden lastigvallen. Er zijn camerabeelden beschreven waarop een man te zien is die met een mes door de supermarkt loopt, met het mes naar diverse in de winkel aanwezige personen wijst en zwaait en de man wordt herkend als de verdachte.
De verdediging heeft aangevoerd dat niet uit de aangifte blijkt dat de verdachte het mes aan aangever heeft getoond en/of stekende of zwaaiende bewegingen zou hebben gemaakt in de richting van aangever. De rechtbank is van oordeel dat de intentie van de verdachte van het tonen van het mes duidelijk bleek uit hetgeen door hem op dat moment werd gezegd en ook uit de wijze waarop hij het mes vasthield terwijl hij rondliep. Dede rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte door het onder deze omstandigheden tonen van het mes in de supermarkt, met de intentie om mensen bang te maken, op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van de personen die op dat moment in deze supermarkt rondliepen, waaronder de aangever. De verdachte had moeten weten dat door deze handelingen de redelijke vrees voor enig misdrijf tegen het leven gericht zou ontstaan. De aangever heeft zich door het gedrag van de verdachte ook daadwerkelijk bedreigd gevoeld. Niet is gebleken dat de verdachte in de richting van aangever stekende bewegingen heeft gemaakt, dus van dit onderdeel spreekt de rechtbank hem vrij. De rechtbank acht de bedreiging door het tonen van het mes wel wettig en overtuigend bewezen.
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1. subsidiair
hij op 1 juli 2025 te Rotterdam, personen aanwezig in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum heeft bedreigd met brandstichting door in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het Erasmus Medisch Centrum een hoeveelheid diesel op de grond te gieten;
2
hij op 1 juli 2025 te Rotterdam, een hoeveelheid diesel die aan Shell (gelegen aan de 's-Gravendijkwal) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
hij op 4 augustus 2025 te Rotterdam, een mes, dat aan Action (gevestigd aan de Kleiweg te Rotterdam) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5
hij op 4 augustus 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door:
- achter die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan te rennen en
- ( vervolgens) met een mes stekende en zwaaiende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
6
hij op 4 augustus 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een mes te tonen aan die [slachtoffer 3] en met dat voorwerp stekende en zwaaiende bewegingen te maken;
7
hij op 9 augustus 2025 te Rotterdam, een mes dat aan Action (gevestigd aan de Karel Doornmanstraat te Rotterdam) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
t.a.v. feit 1 subsidiair: bedreiging met brandstichting;
t.a.v. feit 2, 4 en 7: diefstal;
t.a.v. feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
t.a.v. feit 6: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 subsidiair, 2, 4, 5, 6 en 7 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Hieraan moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Deze voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De feiten kunnen in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend omdat hij deze onder invloed van verdovende middelen heeft gepleegd en hij toen paranoïde achtervolgingswanen ervoer. Door deze wanen heeft hij de wederrechtelijkheid van zijn handelen verminderd kunnen begrijpen. De verdachte kampt met een chronische drugsverslaving. Gelet op zijn verslavingsproblematiek kan het gebruik van verdovende middelen niet aan hem verweten worden en er is dus geen sprake van culpa in causa.
Mocht de rechtbank een langere gevangenisstraf willen opleggen dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dan verzoekt de verdediging deze voorwaardelijk op te leggen onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Op die wijze kan de verdachte direct starten met behandeling en werken aan zijn verslavingsproblematiek, hetgeen zijn wens is.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft mensen in de wachtruimte van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis bedreigd met brandstichting, door een jerrycan met diesel over de grond leeg te gooien en te schreeuwen dat de personen de wachtruimte moesten verlaten. Gelet op de omstandigheden was hierbij sprake van een uiterst dreigende en onvoorspelbare situatie voor de aanwezigen in de wachtruimte. De diesel die hij hiervoor heeft gebruikt, had hij kort daarvoor gestolen bij het tankstation. Daarnaast heeft de verdachte op één dag drie personen bedreigd door een mes te tonen en hiermee stekende bewegingen te maken. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van deze personen. Tot slot heeft de verdachte twee keer een mes gestolen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 24 oktober 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, te weten vermogensfeiten. Dit leidt tot een enigszins hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het Pro Justitia-rapport van de psycholoog drs. [naam psycholoog] van 16 september 2025 staat dat de verdachte niet wilde meewerken aan zijn onderzoek, maar dat hij wel graag hulp wil voor zijn verslavingsproblemen.
In het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 24 november 2025 staat het volgende.
Op vrijwel alle leefgebieden is er sprake van instabiliteit. De verdachte beschikt niet over eigen huisvesting, structurele dagbesteding en zijn inkomsten zijn niet toereikend. Daarnaast kampt hij met langdurige verslavingsproblematiek. Over het psychosociaal functioneren kan de reclassering geen uitspraken doen omdat de verdachte niet heeft willen meewerken aan een NIFP-onderzoek.
In het adviesrapport voor de raadkamerzitting van 10 juli 2025 rapporteerde de reclassering dat zij geen inschatting kunnen maken van het risico op recidive omdat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht, maar dat er diverse zorgen zijn die mogelijk kunnen leiden tot recidive, nu vrijwel alle leefgebieden aandacht behoeven. Naar de mening van de reclassering blijft dit onveranderd. Daarom wordt een langdurige klinische opname geadviseerd waar onderzoek naar het gedrag van betrokkene onderdeel van uitmaakt (diagnostiek) om zodoende een passend plan op te kunnen stellen met tevens oog voor de overige instabiele leefgebieden. Onverwijlde aandacht voor de verslavingsproblematiek van de verdachte is hierbij vanzelfsprekend. Ten aanzien van een klinische opname is de houding van de verdachte wisselend. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot.
De reclassering ziet geen specifieke zwaarwegende negatieve consequenties voor een gevangenisstraf. De reclassering meent dat er sprake is van een terugkerend patroon. Op het moment dat de verdachte aangeeft hulp te willen, komt hij afspraken niet na of werkt niet mee, raakt uit beeld of hij stelt zijn eigen voorwaarden. Er blijkt geen intrinsieke motivatie voor hulp.
Toerekenbaarheid feiten
De verdediging heeft aangevoerd dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nu hij de feiten onder invloed van verdovende middelen heeft gepleegd en hij ten tijde van de tenlastegelegde feiten paranoïde achtervolgingswanen ervoer. De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte de feiten onder invloed van verdovende middelen heeft gepleegd. De rechtbank ziet evenmin andere aanknopingspunten om de feiten verminderd aan de verdachte toe te rekenen.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht bedreiging met brandstichting in een ziekenhuis zo ernstig dat daarvoor als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden dient. Verder heeft de verdachte drie personen met een mes bedreigd. Tot slot heeft de verdachte zich drie winkeldiefstellen gepleegd, waarbij strafverhogend werkt dat de verdachte meermalen recidive heeft voor vermogensfeiten. Daarom wordt een gevangenisstraf van 9 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.
Van deze gevangenisstraf wordt 3 maanden voorwaardelijk opgelegd met de voorwaarden die hierna worden genoemd, omdat de reclassering deze voorwaarden heeft geadviseerd en de rechtbank het belangrijk vindt dat de verdachte behandeling en begeleiding krijgt bij zijn verslavingsproblematiek. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij reclassering (na afspraak), opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole.
Gelet op het strafblad en het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
Motivering afwijken eis
De rechtbank wijkt met het opleggen van deze straf af van de eis van de officier van justitie, omdat de eis onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank acht het met name zeer kwalijk dat de verdachte in de hal van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis de personen in de wachtruimte heeft bedreigd met brandstichting. Een hogere straf dan geëist is daarom passend.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het de feiten 1 primair en 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2, 4, 5, 6 en 7, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
3 (drie) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
de veroordeelde zich laat opnemen in een kliniek voor forensische zorg, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo spoedig mogelijk. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de veroordeelde zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie en stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
4. de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
5. de veroordeelde zal meewerken aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de onder nummers 1 tot en met 5 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en N. Stolk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 december 2025.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het voorgeleidingsdossier zaak Water met documentcode [code document] .
2.Pagina’s 11 tot en met 13.
3.Pagina’s 7 en 8.
4.Pagina’s 39 en 40.
5.Pagina’s 21 tot en met 26.
6.Pagina’s 14 en 15.
7.Pagina’s 16 tot en met 20.
8.Pagina’s 27 tot en met 31.
9.Pagina’s 32 tot en met 34.
10.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 37 en 38.
11.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 80 tot en met 89.
12.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 21 tot en met 24.
13.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 32 tot en met 34.
14.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 25 tot en met 27.
15.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 59 tot en met 72.
16.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 28 tot en met 31.
17.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 73 tot en met 75 en fotobijlage PV [nummer proces-verbaal 2] .
18.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 76 en 77.
19.Aanvullend procesdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 107 tot en met 119.