Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 18 juli 2024 waarin ontruiming was bevolen.
De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie, nu verweerster de ontruiming op 9 december 2025 wilde uitvoeren. Verzoekster heeft de huur van december 2025 tijdig betaald en staat onder beschermingsbewind, wat waarborgt dat toekomstige huurtermijnen ook betaald zullen worden.
De belangenafweging leidt tot toewijzing van het moratorium voor zes maanden, zodat verzoekster in haar woning kan blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject kan voortzetten. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, maar kan later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan en schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor afloop van het moratorium verslag uitbrengt. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
De rechtbank spreekt het vonnis uit op 17 december 2025, waarbij de ontruiming wordt opgeschort en het moratorium wordt vastgesteld.