Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 4 september 2025.
De rechtbank stelde vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 2 december 2025. Verzoekster had de huurtermijn van december 2025 tijdig voldaan en stond onder budgetbeheer, wat aannemelijk maakte dat zij ook de toekomstige huurtermijnen tijdig zou betalen. Verweerster, de verhuurder, was niet verschenen en had geen verweer gevoerd.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen voor zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan en schuldhulpverlening verslag uitbrengt. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.