ECLI:NL:RBROT:2025:14979

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11895756 VV EXPL 25-572
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing concurrentiebeding en eindafrekening in kort geding tussen werknemer en werkgever

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer, aangeduid als [eiser], en zijn werkgever, Dutoit Europe B.V. [eiser] had zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en wilde in dienst treden bij Prime Fruit Partners B.V., maar Dutoit stelde dat hij het concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst overtrad. [eiser] vroeg de kantonrechter om het concurrentiebeding te schorsen en eiste daarnaast een vergoeding van € 24.000,- voor onterecht ingehouden leasetermijnen op zijn eindafrekening. De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding per 1 juli 2026 geschorst zou worden, omdat het beding niet noodzakelijk was tot die datum. Tevens werd Dutoit veroordeeld om een nieuwe eindafrekening op te stellen zonder de ingehouden leasetermijnen en om het verschil met de vorige eindafrekening, inclusief wettelijke verhoging, aan [eiser] te betalen. De kantonrechter oordeelde dat de eis van [eiser] spoed had, omdat hij snel in dienst wilde treden bij Prime. De rechter concludeerde dat Dutoit niet het recht had om de leasetermijnen in te houden en dat de vordering van [eiser] op dat punt gegrond was. De kantonrechter wees de overige vorderingen van [eiser] af, waaronder de vergoeding en het verbod op aanspraken van Dutoit op boetes, en bepaalde dat de proceskosten door beide partijen gedragen moesten worden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11895756 VV EXPL 25-572
datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. L.P. Quist,
tegen
Dutoit Europe B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigden: mr. drs. T.J. Post en mr. A.N. Kampherbeek.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Dutoit’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding met bijlagen;
  • het antwoord met bijlagen;
  • de brief van [eiser] van 3 december 2025, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Op 4 december 2025 is de zaak tijdens een zitting met de partijen besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Dutoit is een groothandelaar in de AGF-sector, met een focus op fruit. [eiser] werkte bij Dutoit op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij verkocht als junior accountmanager fruit dat door Dutoit was ingekocht. [eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 26 september 2025 en wil nu in dienst treden bij Prime Fruit Partners B.V. Volgens Dutoit overtreedt hij in dat geval het concurrentiebeding dat in de arbeidsovereenkomst staat. Op basis van dat beding mag hij tot 26 september 2026 niet in dienst treden bij een AGF-groothandel in de Benelux.
2.2.
[eiser] eist dat de kantonrechter het concurrentiebeding per direct schorst, zodat hij bij Prime in dienst kan treden. Als de kantonrechter dat niet doet wil hij een vergoeding van € 24.000,-. Dutoit is het hier niet mee eens. Volgens haar is het concurrentiebeding geldig en moet het ook in stand blijven.
2.3.
[eiser] heeft daarnaast zijn leaseauto moeten inleveren en er zijn door Dutoit kosten voor de leaseauto van de eindafrekening afgetrokken. Volgens [eiser] is dit onterecht. Hij eist dat de kantonrechter Dutoit veroordeelt om mee te werken aan het overdragen van het leasecontract aan Prime, op straf van een dwangsom. Hij vraagt de kantonrechter verder om Dutoit te verbieden om kosten voor de leaseauto in rekening te brengen. Hij wil dat de kantonrechter Dutoit daarom veroordeelt om een nieuwe afrekening op te stellen, op straf van een dwangsom, en haar veroordeelt om het verschil met de vorige eindafrekening uit te betalen, met wettelijke verhoging.
2.4.
Dutoit is het ook met deze eisen niet eens. Zij vindt dat zij het recht had om [eiser] de leaseauto te laten inleveren en om bedragen in te houden op de eindafrekening.
2.5.
De kantonrechter schorst het concurrentiebeding per 1 juli 2025. Dutoit moet een nieuwe eindafrekening opstellen, waarop ze minder geld mag inhouden. Het verschil met de vorige eindafrekening moet ze nog nabetalen aan [eiser] . In dit vonnis legt de kantonrechter dit oordeel uit.
De eis heeft spoed
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat de eis van [eiser] spoed heeft. [eiser] wil namelijk eigenlijk in dienst treden bij Prime, maar kan dat nu niet omdat het concurrentiebeding daaraan in de weg staat. Hij heeft er belang bij dat de kantonrechter op korte termijn oordeelt of dit terecht is.
2.7.
Dat [eiser] (tijdelijk) ander inkomen heeft en dat hij mogelijk na 26 september 2026 alsnog in dienst kan bij Prime maakt dit niet anders. [eiser] wil namelijk nu in dienst bij Prime. Als hij een bodemprocedure hiervoor moet afwachten, dan is het waarschijnlijk al (bijna) 26 september 2026.
Er is sprake van een geldig concurrentiebeding
2.8.
De kantonrechter gaat ervan uit dat er sprake is van een geldig concurrentiebeding. Het staat namelijk in een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (artikel 7:653 lid 1 BW).
2.9.
[eiser] stelt dat Dutoit het beding ook had moeten toelichten en dat erin had moeten staan welke werkzaamheden er precies onder vallen. Daar gaat de kantonrechter aan voorbij, want die eisen volgen niet uit de wet.
Prime is een concurrent van Dutoit
2.10.
De kantonrechter gaat er verder vanuit dat Prime een concurrent van Dutoit is. In de dagvaarding lijkt ook [eiser] hiervan uit te gaan. Voor het eerst tijdens de zitting heeft [eiser] gesteld dat Prime zich meer richt op klanten in Oost-Europa. Voor zover zij daarmee bedoelt dat Dutoit geen concurrent is, slaagt dat verweer naar voorlopig oordeel van de kantonrechter niet. Dutoit heeft namelijk tijdens de zitting onbetwist aangevoerd dat zij daar ook actief is en wil zijn. Er is verder geen discussie over dat beide partijen in dezelfde soorten fruit handelen en deels dezelfde leveranciers hebben.
Conclusie: [eiser] mag in principe niet in dienst bij Prime
2.11.
Omdat de kantonrechter voorlopig oordeelt dat het concurrentiebeding geldig is en dat Prime een concurrent is van Dutoit, is het uitgangspunt dat [eiser] niet in dienst mag gaan bij Prime. Dat mag niet tot 26 september 2026, omdat [eiser] dan 1 jaar uit dienst is. Dat is alleen anders als de kantonrechter oordeelt dat het aannemelijk is dat in een gewone procedure het beding geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd. Dat kan op basis van de wet zo zijn als het concurrentiebeding niet noodzakelijk is, of als [eiser] te veel wordt benadeeld door het beding, in verhouding met het belang dat Dutoit erbij heeft (artikel 7:653 lid 3 BW). De kantonrechter oordeelt hierna dat het beding wel noodzakelijk is, maar dat het niet nodig is dat dit beding tot 26 september 2026 geldt, gelet op de belangen van de partijen. Dat licht de rechter hierna toe.
Het concurrentiebeding is noodzakelijk
2.12.
De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat in een gewone procedure wordt geoordeeld dat het beding niet noodzakelijk is. Daarvoor is het volgende van belang.
De AGF-sector is competitief
2.13.
Allereerst is van belang dat de partijen het erover eens zijn dat de AGF-sector zeer competitief is. Dutoit heeft dit in het antwoord gesteld. Tijdens de zitting heeft [eiser] dit niet betwist. Hij heeft bevestigd dat klanten altijd bij meerdere partijen offertes opvragen en regelmatig switchen van aanbieder.
[eiser] beschikt over concurrentiegevoelige informatie
2.14.
Binnen die competitieve markt beschikt [eiser] naar voorlopig oordeel van de kantonrechter over informatie die de eerlijke concurrentie tussen Dutoit en Prime kan verstoren.
2.15.
Dutoit heeft onbetwist gesteld dat er elke maandagochtend een in- en verkoopoverleg was, waarbij [eiser] aanwezig was. Daarbij werd besproken welke producten waren ingekocht, welke daarvan moeilijk te verkopen waren en welke gemakkelijk en welke verkoopstrategie zou worden gehanteerd. Op deze manier heeft [eiser] inzicht ontwikkeld in de dynamiek tussen de in- en verkoop bij Dutoit. Dat is de kern van de onderneming van Dutoit. Daar komt bij dat Dutoit onbetwist heeft gesteld dat Prime en Dutoit deels bij dezelfde partijen inkopen. Daarom is deze kennis van [eiser] des te relevanter.
2.16.
[eiser] weet daarnaast hoe de verkoopprijzen bij Dutoit worden vastgesteld. Op basis van prijslijsten van concurrenten worden kennelijk bepaalde bandbreedtes afgesproken. Binnen die bandbreedtes mocht [eiser] het fruit aanbieden aan klanten.
2.17.
[eiser] weet daarnaast als geen ander op welke manier klanten werden overgehaald om het fruit bij Dutoit te kopen. Dit vindt de kantonrechter zwaar wegen. [eiser] bracht offertes uit, koos voor bepaalde prijzen en weet welke kortingen hij kon aanbieden, om klanten binnen te halen. De kantonrechter vindt het waarschijnlijk dat deze informatie concurrentiegevoelig is. Het daadwerkelijk verkopen van het fruit tegen de voor Dutoit meest gunstige voorwaarden is namelijk wat de onderneming uiteindelijk maakt of breekt.
De belangen van [eiser] wegen niet zwaarder
2.18.
De kantonrechter vind het aannemelijk dat het concurrentiebeding in een eventuele bodemprocedure per 1 juli 2026 zou worden vernietigd. Hierna licht hij toe welke wederzijds belangen hij daarbij meeweegt en waarom de belangenafweging per juli 2026 omslaat in het voordeel van [eiser] .
Dutoit heeft belang bij handhaving
2.19.
Zoals uit het voorgaande volgt beschikt [eiser] over kennis en inzicht die de concurrentie tussen Dutoit en Prime oneerlijk kan beïnvloeden. Daarbij weegt nog extra mee dat Prime pas sinds mei 2025 bestaat. Zij is dus een startende onderneming en is op zoek naar omzet en klanten. Dutoit heeft daarom extra reden om [eiser] aan zijn beding te houden.
2.20.
Hoe langer [eiser] uit dienst is, hoe minder concurrentiegevoelig zijn kennis wordt. Tijdens de zitting heeft Dutoit toegelicht dat veel prijzen onderdeel zijn van een ‘leveringsprogramma’. Dat houdt in dat de prijzen van Dutoit voor een periode van ongeveer zes maanden vooruit vast liggen, tot het einde van het seizoen. Het seizoen van de meeste soorten fruit loopt volgens haar tot mei of juni 2026. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te stellen en te onderbouwen dat de kennis al eerder zijn houdbaarheidsdatum heeft bereikt, maar daar is hij naar voorlopig oordeel van de kantonrechter niet in geslaagd. De kantonrechter heeft geen concrete aanknopingspunten over een eerder einde van het seizoen of een wisseling van de prijsdynamiek.
Er is mogelijk een kleine positieverbetering
2.21.
[eiser] zou er bij Prime iets op vooruitgaan. Hij zou er € 250,- extra gaan verdienen. Dat is een lichte vooruitgang. Dutoit heeft aangevoerd dat hij die verhoging bij haar ook gehad zou hebben. Dat staat niet zwart op wit en het wordt door [eiser] betwist, maar zelfs als dat niet vast zou komen te staan, dan is dit slechts een relatief kleine vooruitgang. Ook de functie zou ongeveer hetzelfde blijven. De functie van [eiser] bij Dutoit was ‘ junior accountmanager ’ en bij Prime zou het ‘Internationaal account manager’ worden. Dat klinkt anders, maar volgens Dutoit komt het feitelijk op hetzelfde neer. [eiser] heeft vervolgens niet onderbouwd wat er inhoudelijk wezenlijk anders zou zijn aan de functie.
[eiser] heeft andere mogelijkheden
2.22.
De kantonrechter oordeelt verder dat [eiser] voldoende andere mogelijkheden heeft. In het algemeen geldt daarbij dat de arbeidsmarkt op dit moment krap is. [eiser] zou dus sowieso in staat moeten zijn om een andere baan te vinden.
2.23.
Meer specifiek geldt daarbij dat Dutoit onbetwist heeft gesteld dat [eiser] ook aan de slag kan bij een groothandel in een andere sector, zoals bijvoorbeeld de vleessector. Dat lijkt ook [eiser] zelf te erkennen, aangezien hij in de dagvaarding schrijft dat de kennis die hij heeft opgedaan algemeen van aard is, gericht op verkoop van goederen en niet specifiek van toepassing is op de fruithandel. Ook tijdens de zitting heeft hij op vragen van de kantonrechter niet ontkend dat hij in een andere sector dit werk zou kunnen doen, maar dat hij bewust kiest voor Prime.
2.24.
Bovendien heeft [eiser] ook mogelijkheden om in de AGF-sector aan de slag te gaan. Dutoit heeft zich namelijk flexibel opgesteld. Ze heeft met [eiser] meegedacht en aangegeven dat ze veel minder problemen zou hebben met een bedrijf in de groentesector. Ook heeft ze aangegeven dat ze over concrete aanbiedingen altijd bereid is om het gesprek aan te gaan. Ook in zoverre is Prime niet de enige optie voor [eiser] .
2.25.
[eiser] heeft voor zijn dienstverband bij Dutoit op de AGF-afdeling bij een Plus-supermarkt gewerkt. Hij heeft in zoverre wel altijd in de AGF gewerkt. De kantonrechter vindt die eerdere ervaring niet heel relevant. Dat was namelijk in een heel andere functie, zoals Dutoit terecht heeft aangevoerd. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt waarom kennis of ervaring uit die functie relevant is voor het vervolg van zijn loopbaan als accountmanager.
De aanleiding van de opzegging is onvoldoende aannemelijk
2.26.
[eiser] heeft zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd. Hij stelt dat het handelen van Dutoit daarvoor de aanleiding was. De bestuurder van Dutoit, de heer [persoon A] , zou zich in een telefoongesprek denigrerend en aanvallend hebben uitgelaten en het vertrouwen hebben opgezegd. [persoon A] ontkent dit. Uit het appberichten van kort na het telefoongesprek, kan de kantonrechter dit in ieder geval niet opmaken. Daarin schrijft [persoon A] : “
Ik begrijp dat het niet leuk is om kritiek te krijgen, maar ik krijg de indruk dat je er onvoldoende voor open staat. En dan de makkelijke weg kiezen, van dat je het dan misschien niet kan, is flauw en een beetje kinderachtig. Ik hoor graag uiterlijk morgen van je, hoe je dit nu gaat aanpakken en oplossen. Succes”. Daaruit blijkt niet dat het vertrouwen is opgezegd, omdat [persoon A] het heeft over aanpakken en oplossen. Er staat in het appje verder wel duidelijke kritiek, maar de kantonrechter zou het niet bestempelen als denigrerend of aanvallend. Op dit moment is het daarom onvoldoende aannemelijk dat Dutoit het einde van de arbeidsovereenkomst heeft veroorzaakt. In dit kort geding is er ook geen ruimte om op dit punt verder bewijs toe te laten.
2.27.
Zelfs als [persoon A] in het telefoongesprek stevige woorden zou hebben gebruikt, dan nog betekent dit niet dat de enige optie voor [eiser] was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Hij had ook het gesprek hierover aan kunnen gaan.
2.28.
De kantonrechter gaat er bij de belangenafweging vanuit dat [eiser] zelf heeft besloten om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zonder dat Dutoit daar een beslissende rol in heeft gehad.
Onvoldoende aannemelijk dat Dutoit bij collega’s niet handhaaft
2.29.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat Dutoit andere vertrekkende werknemers niet aan het beding heeft gehouden. [persoon A] heeft dit betwist. Vervolgens heeft [eiser] dat niet verder concreet gemaakt. Dit punt vindt de kantonrechter daarom niet aannemelijk, zodat het niet meeweegt in de belangenafweging.
Het relatief korte dienstverband speelt niet mee
2.30.
Volgens [eiser] is de duur van het concurrentiebeding niet in een redelijke verhouding met de duur van zijn dienstverband. Dat standpunt volgt de kantonrechter niet. [eiser] is ongeveer 2,5 jaar in dienst geweest. In die periode heeft hij genoeg concurrentiegevoelige kennis kunnen opdoen.
Conclusie: schorsing per 1 juli 2026
2.31.
Als de kantonrechter deze belangen tegen elkaar afweegt, vindt hij het onvoldoende aannemelijk dat in een gewone procedure het beding helemaal zal worden vernietigd. Daarbij is vooral van belang dat Dutoit er duidelijk belang bij heeft om het beding te handhaven. Daartegenover staat dat [eiser] wellicht een kleine positieverbetering kan krijgen. Verder zijn er echter geen zwaarwegende belangen van [eiser] . De kantonrechter vindt daarbij vooral belangrijk dat [eiser] voldoende andere mogelijkheden heeft.
2.32.
De kantonrechter vindt het wel waarschijnlijk dat in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat het beding niet tot 26 september 2026 hoeft te gelden. Daarbij is vooral van belang dat Dutoit zelf heeft aangegeven dat het seizoen ongeveer tot mei of juni 2026 duurt. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat het beding daarom in ieder geval per 1 juli 2026 zou worden vernietigd, als dat in een bodemprocedure gevraagd zou worden. Hij schorst het beding daarom per die datum.
Het geëiste verbod wordt afgewezen
2.33.
[eiser] eist ook dat de kantonrechter Dutoit verbiedt om aanspraak te maken op boetes. Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat deze eis geen afzonderlijke betekenis heeft, naast de gevraagde schorsing. Dit deel van de eis wordt daarom afgewezen, bij gebrek aan belang (artikel 3:303 BW).
De vergoeding wordt afgewezen
2.34.
Omdat de primaire geëiste schorsing wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de subsidiair geëiste vergoeding. Voor zover [eiser] bedoeld heeft om een vergoeding te vragen voor de periode dat het beding wel blijft gelden wordt deze eis afgewezen.
2.35.
De reden daarvan is dat een vergoeding alleen kan worden toegekend als in het beding [eiser] in belangrijke mate belemmert om ergens anders te werken (artikel 7:653 lid 5 BW). Zoals hiervoor al is geoordeeld is in de eerste plaats onvoldoende aannemelijk dat daarvan sprake is. [eiser] heeft voldoende andere mogelijkheden, maar kiest er zelf voor om zich alleen op Prime te richten. Het is wel denkbaar dat [eiser] bij een andere werkgever niet hetzelfde loon kan verdienen als hij bij Prime zou krijgen. Maar in dit kort geding heeft de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om hierop nu al vooruit te lopen door het toewijzen van een voorschot op een vergoeding.
Dutoit hoeft niet mee te werken aan het overdragen van het leasecontract
2.36.
Omdat het beding pas wordt geschorst per 1 juli 2026 wordt Dutoit niet veroordeeld om mee te werken aan het overdragen van het leasecontract aan Prime. Op grond van artikelen 4.2 en 4.3 van de tussen partijen overeengekomen gebruiksovereenkomst kan de werknemer er onder bepaalde omstandigheden voor kiezen bij het einde van de arbeidsovereenkomst de leaseovereenkomst mee te nemen naar de nieuwe werkgever, maar die keuze moet dan wel uiterlijk per het einde van de overeenkomst worden gemaakt. Dat is in dit geval niet gebeurd. Bovendien moet ook de nieuwe werkgever zich uitdrukkelijk schriftelijk akkoord verklaren met overname van de leaseovereenkomst en moet de leasemaatschappij geen bezwaar hebben. Er is niet gesteld of gebleken dat aan die voorwaarden voldaan is.
Dutoit mocht geen leasetermijnen inhouden op de eindafrekening
2.37.
Dutoit is in 2024 een gebruiksovereenkomst voor vier jaar aangegaan. Deze overeenkomst zou dus voorlopig nog doorlopen. [eiser] heeft de auto op 15 september 2025 ingeleverd. Dutoit heeft daarop drie leasetermijnen ingehouden op zijn eindafrekening van in totaal € 2.430,60. Volgens [eiser] mocht dit niet. Hij wil dat geld alsnog uitbetaald krijgen.
2.38.
De kantonrechter stelt voorop dat deze eis op zich inderdaad niet heel spoedeisend is, zoals Dutoit heeft aangevoerd, omdat het over een relatief klein bedrag gaat. Anderzijds heeft een loonvordering altijd wel een bepaalde spoed. Bovendien is het efficiënt om deze eis direct in deze procedure te behandelen. [1]
2.39.
De kantonrechter vindt het onaannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Dutoit dit bedrag mocht inhouden. In de gebruiksovereenkomst staat namelijk dat Dutoit alleen de kosten voor de afkoop of voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst in rekening mag brengen (4.2 en 4.3 sub c). Tijdens de zitting heeft Dutoit aangegeven dat er geen sprake is van afkoop of voortijdige beëindiging, maar dat de auto gewoon bij de zaak staat. Er is daarom geen basis om toch kosten in rekening te brengen.
Dutoit mocht buitengerechtelijke kosten inhouden
2.40.
Dutoit heeft haar advocaat ingeschakeld toen het erop leek dat [eiser] zijn leaseauto niet wilde inleveren. De kosten van de advocaat heeft ze ook van met de eindafrekening verrekend. Dat recht had ze op basis van de gebruiksovereenkomst (artikel 16). De hoogte van de kosten is niet betwist. Wel heeft [eiser] aangevoerd dat Dutoit geen betalingsbewijs heeft overhandigd. Dat vindt de kantonrechter in het kader van dit kort geding niet doorslaggevend, omdat niet blijkt dat Dutoit deze kosten eerst moet betalen voordat ze die kan doorberekenen. Hij vindt het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat Dutoit deze kosten mocht inhouden.
2.41.
[eiser] heeft wel onbetwist gesteld dat Dutoit ten onrechte ook de door de advocaat in rekening gebrachte btw van € 102,17 heeft doorberekend aan [eiser] .
Dutoit moet een nieuwe eindafrekening opmaken en betalen
2.42.
[eiser] heeft geëist dat Dutoit wordt veroordeeld om een eindafrekening op te stellen waarin “
uitsluitend de gebruikelijke fiscale inhoudingen plaatsvinden”. Hij heeft niet gesteld wat er los van de advocaatkosten en leasetermijnen mis is met de eindafrekening. Dutoit wordt daarom veroordeeld om een nieuwe afrekening op te stellen, waarbij zij dus geen leasetermijnen en btw over de advocaatkosten inhoudt. Voor zover [eiser] nog iets anders bedoeld heeft, heeft hij onvoldoende gesteld.
2.43.
[eiser] heeft geen termijn genoemd waarbinnen Dutoit de eindafrekening moet opstellen. De kantonrechter vindt een termijn van twee weken redelijk en wijst de eis in die zin toe. De kantonrechter koppelt geen dwangsom aan deze veroordeling, omdat hij geen reden heeft om aan te nemen dat Dutoit niet aan deze veroordeling zal voldoen.
2.44.
[eiser] eist ook dat Dutoit wordt veroordeeld om het verschil tussen de vorige eindafrekening en de nieuwe eindafrekening uit te betalen. Die eis hangt samen met het voorgaande en wordt toegewezen. Het gaat om een bedrag van € 2.532,77 (€ 2.430,60 en € 102,17).
2.45.
[eiser] eist ook de wettelijke verhoging over dat bedrag (artikel 7:625 BW). De kantonrechter wijst die eis toe, omdat die eis is gebaseerd op de wet, maar hij beperkt die in dit kort geding wel tot 10%. De verhoging wordt namelijk regelmatig aanzienlijk gematigd. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat die niet verder zal worden gematigd dan tot 10%. Daarom voelt hij zich vrij om al op dat oordeel vooruit te lopen door deze verhoging toe te wijzen. Dat gaat dus om € 253,28. In totaal moet Dutoit dus nog € 2.786,05 betalen (€ 2.532,77 + € 253,28).
De verboden worden afgewezen
2.46.
[eiser] eist ook dat het Dutoit wordt verboden om aanspraak te maken op de leasetermijnen en advocaatkosten. Die verboden hebben naast de veroordeling om een gecorrigeerde eindafrekening op te maken geen afzonderlijke betekenis en worden daarom afgewezen, bij gebrek aan belang (artikel 3:303 BW).
De partijen moeten hun eigen proceskosten dragen
2.47.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen, omdat zij allebei gedeeltelijk ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.48.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en Dutoit daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
schorst het concurrentiebeding per 1 juli 2026;
3.2.
veroordeelt Dutoit om aan [eiser] € 2.786,05 te betalen;
3.3.
veroordeelt Dutoit om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een nieuwe eindafrekening aan [eiser] te sturen, waarbij geen leasetermijnen worden ingehouden en geen btw over de doorberekende advocaatkosten;
3.4.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
33394

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522, 3.4