ECLI:NL:RBROT:2025:14973

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
ROT 23/3792
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering UWV Wet WIA-uitkering en inschakeling onafhankelijke deskundige

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 9 december 2025, wordt de weigering van het UWV om eiseres een Wet WIA-uitkering te verstrekken behandeld. Eiseres, die gezondheidsklachten heeft, was het niet eens met de beslissing van het UWV en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft geconstateerd dat de motivering van de onafhankelijk deskundige overtuigend is, wat heeft geleid tot de conclusie dat eiseres meer beperkingen heeft dan het UWV heeft vastgesteld. De rechtbank heeft de medische gegevens van eiseres in overweging genomen en heeft besloten dat de motivering van haar oordeel waar nodig beperkt moet worden om de privacy van eiseres te waarborgen. Het beroep is gegrond verklaard, en de rechtbank heeft het bestreden besluit van het UWV vernietigd. Het UWV moet nu een nieuw besluit op bezwaar nemen, rekening houdend met de bevindingen van de rechtbank. Eiseres heeft recht op vergoeding van het griffierecht en proceskosten, die zijn vastgesteld op € 2.267,50. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van medische gegevens en de rol van onafhankelijke deskundigen in dergelijke zaken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.R. Kamerling),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam werkgeefster] uit [plaats 2] (werkgeefster)
(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over weigering van het UWV om eiseres een uitkering op grond van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Eiseres is het niet eens met deze weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze weigering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres gelijk krijgt en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het primaire besluit van 12 mei 2022 heeft het UWV eiseres per 13 april 2022 een Wet WIA-uitkering geweigerd.
2.2.
Met het besluit van 21 april 2023 (het bestreden besluit) op de bezwaren van eiseres en werkgeefster is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 15 januari 2024 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van werkgeefster, [persoon A] .
2.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 18 april 2024 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 april 2024.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de echtgenoot van eiseres [persoon B] en de gemachtigde van het UWV mr. H. Woltman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Zij heeft daarbij bepaald dat eiseres de gelegenheid krijgt om reacties in te dienen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 april 2024. Na ontvangst hiervan krijgt het UWV de gelegenheid om hierop te reageren.
2.7.
Bij brief van 17 juni 2024 heeft eiseres informatie van de bedrijfsarts [persoon C] en van sportarts [persoon D] van 14 juni 2024 overgelegd.
2.8.
Het UWV heeft op 18 juli 2024 gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juli 2024.
2.9.
Eiseres heeft op 21 augustus 2024 op dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd.
2.10.
De rechtbank heeft mr.dr. W.A. Faas, verzekeringsarts, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 26 mei 2025 gerapporteerd.
2.11.
Eiseres heeft op 9 juli 2025 gereageerd op het deskundigenrapport. Het UWV heeft op 25 juli 2025 gereageerd met de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2025.
2.12.
De rechtbank heeft, omdat partijen geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid voor een behandeling ter nadere zitting, bepaald dat een nadere zitting achterwege wordt gelaten en heeft het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

3. Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de werkgeefster te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
4.1.
Eiseres is ten gevolge van gezondheidsklachten op 15 april 2020 uitgevallen voor haar werk als verzorgende IG voor 24,08 uur per week. Het UWV heeft vastgesteld, dat eiseres in aansluiting op de toepasselijke wachttijd meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, zodat zij met ingang van 13 april 2022 niet in aanmerking komt voor een Wet WIA-uitkering.
4.2.
In verband hiermee heeft de verzekeringsarts op 28 april 2022 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Daarbij is een urenbeperking vastgesteld van 6 uur per dag en 30 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen vijf gangbare functies geduid. Het loon dat met de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) verdiend kan worden, ligt 33,94% lager dan het zogeheten maatmaninkomen.
4.3.
In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 april 2023 geconcludeerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest. Wel is toegelicht dat er een tegenstrijdigheid in de rapportage van de primaire verzekeringsarts staat over de duurbelastbaarheid. Het is echter duidelijk dat de primaire verzekeringsarts eiseres maximaal 6 uur per dag en maximaal 30 uur per week belastbaar heeft geacht. De door de bedrijfsarts aangegeven beperking van de duurbelastbaarheid tot maximaal 10 uur per week is evident onjuist. Er is op grond van de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ geen medische indicatie om een verdergaande beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid aan te nemen dan die al is weergegeven in de FML van de primaire verzekeringsarts. De beperkingen die uit het primaire onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn voldoende onderkend bij het opstellen van de FML. De enige uitzondering hierop is een allergie-beperking voor hooikoorts. Deze beperking is toegevoegd aan de FML van 3 april 2023.
4.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 12 april 2023 de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres onderschreven. Alle aan eiseres voorgehouden functies blijven na deze aanpassing nog geschikt voor haar.
4.5.
Bij het bestreden besluit heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd. De inhoud van de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep maken daarvan deel uit.

Standpunt eiseres

5. Eiseres voert aan dat haar beperkingen zijn onderschat. Door haar lichamelijke en energetische beperkingen is er bij haar sprake van meer beperkingen dan in de FML voor haar zijn vastgesteld. Eiseres stelt dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. Het telefonisch onderzoek heeft slechts 20 minuten geduurd en eiseres kon hierbij haar antwoorden niet volledig toelichten. Uit de vermelding van onjuiste gegevens, zoals met betrekking tot het autorijden in het rapport, valt volgens eiseres af te leiden dat de verzekeringsarts geen goed beeld van haar beperkingen heeft gekregen. Eiseres heeft toegelicht dat zij twee werkdagen thuis werkzaamheden verricht waarbij ze haar werkzaamheden zelf kan indelen. Ondanks dat haar werkgever flexibel is, heeft zij haar werkzaamheden niet kunnen uitbreiden naar meer dan 10 uur per week. Bij werkzaamheden bij een andere werkgever zal er geen sprake zijn van dergelijke flexibiliteit. Inmiddels is zij ook voor haar eigen, aangepaste werkzaamheden, zij het op grond van een andere oorzaak, uitgevallen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiser informatie van de behandelend sector overgelegd, waaronder van haar behandeld specialisten, de sportarts en de revalidatiearts. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat zij van mening is dat eiseres maximaal 10 uur per week belastbaar is. Hierbij is toegelicht dat de resultaten van de onderzoeken bij de sportarts de door eiseres ervaren klachten bevestigen. Bij brief van 17 juni 2024 heeft eiseres aanvullende stukken van de bedrijfsarts en de sportarts overgelegd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit deze rapportages valt af te leiden dat onvoldoende rekening is gehouden met haar lichamelijke en energetische beperkingen. Door het geheel aan beperkingen en aandoeningen en het feit dat zij na enige inspanning niet in staat is iets te doen, is met name bij de vastgestelde duurbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week onvoldoende rekening gehouden met haar beperkingen. Nu de behandeld sector een standpunt inneemt dat tegengesteld is aan dat van de verzekeringsartsen van het UWV, heeft eiseres de rechtbank verzocht het advies van een onafhankelijk deskundige in te winnen.

Relevante wet- en regelgeving

6.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
6.2.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
6.3.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

Beoordeling door de rechtbank

7.1.
De rechtbank beoordeelt de vraag of het UWV terecht eiseres met ingang van 13 april 2022 een Wet WIA-uitkering heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Daarbij herhaalt de rechtbank dat de motivering van haar oordeel waar nodig wordt beperkt om te voorkomen dat medische gegevens van eiseres in de openbaarheid worden gebracht.
Het deskundigenonderzoek
7.2.
Gelet op het verschil in standpunten tussen de verzekeringsartsen van het UWV en de door eiseres overgelegde informatie van onder meer de bedrijfsarts en de sportarts, heeft de rechtbank aanleiding gezien om een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige te benoemen. De deskundige heeft in zijn rapport van 26 mei 2025 geconcludeerd dat op grond van de anamnestische gegevens, de gegevens uit de medische voorgeschiedenis, gegevens over het re-integratieproces bij de eigen werkgever en de gegevens uit de behandelende sector, in combinatie met zijn eigen bevindingen, eiseres aanmerkelijk meer beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen van het UWV hebben aangegeven. Er zijn volgens de deskundige ten onrechte een aantal serieuze aandachtspunten bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden over het hoofd gezien. Daarbij heeft hij aangegeven dat een vertaling naar een FML in de specifieke situatie van eiseres niet eenvoudig is, omdat de FML geen goed bruikbaar instrument is in situaties waarin onder meer duurbeperkingen en recuperatiebehoeftes spelen. Ook om die reden moet de vertaling van de beperkingen in FML termen hier in het bijzonder in samenhang met de overwegingen in de rapportage worden gezien. Ook tekent de deskundige aan dat de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ dateert uit 2015 en niet actueel is op het punt van de medische situatie waar eiseres mee te kampen heeft. De standaard houdt geen rekening met aandoeningen met energetische of circadiaanse verstoringen. De standaard vervalt daarom volgens de deskundige als valide argument om daarmee een op alle dagen geldende belastbaarheid van 6 uur te onderbouwen. Dit geldt ook voor de verwijzing door de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het Verzekeringsgeneeskundig protocol COPD uit 2008. Dit protocol is niet van toepassing op de situatie van eiseres. Zij heeft geen COPD en het protocol is niet passend voor haar situatie. De deskundige concludeert dat er sprake is van een aantal duidelijke feitelijke omstandigheden die een grotere urenbeperking rechtvaardigden en licht deze toe in het rapport. Daarbij komen onder meer het verloop van en de stagnatie in de re-integratie, het adequate herstelgedrag van eiseres, het dagverhaal en de behandelingen aan de orde. Op basis van een waardering van de anamnestische gegevens is de inschatting van de deskundige dat eiseres op de datum in geding in staat was te achten om gedurende 3 uur per dag, verspreid over de dag, geconcentreerd actief te zijn. Bij lichtere fysieke en/of mentale arbeid kan zij 30-45 minuten actief zijn. Daarbij is het van belang dat tussen fysieke en/of mentale activiteiten door er voldoende (ruimte voor) recuperatie of hersteltijd is volgens het ‘pacing’ principe, dat dan ook in een werksetting dient te worden gefaciliteerd. Zij kan maximaal drie dagen per week werken, omdat er steeds na een werkdag extra recuperatiebehoefte is. Daarbij is regelmaat noodzakelijk. Ze is dus in aangewezen op een werksituatie waarbij tussentijdse rust/hersteltijd ingeregeld kan worden en op een normaal dag-nachtritme zonder avond- of nachtelijke arbeid. Naast deze urenbeperking heeft de deskundige een aantal onderdelen van de FML aangepast in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.
7.3.
Het UWV heeft op dit rapport gereageerd met de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de deskundige ten aanzien van drie door hem toegevoegde beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de deskundige niet in de overige toegevoegde beperkingen. Ten aanzien van de urenbeperking reageert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de deskundige wel kan vinden dat de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ bij belanghebbende niet geschikt is, maar bij de uitvoering van een arbeidsongeschiktheids-beoordeling in het kader van de Wet WIA dient een verzekeringsarts zich wel aan deze standaard te houden. Er staat immers in de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ op bladzijde 3 onder het kopje ‘Doelgroep en status’: “De standaard is geschreven met het oog op de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetgeving in Nederland: de WAD, de WIA, de Wajong, de WAZ, de Ziektewet en de Wet Verbetering Poortwachter. Daarmee is de standaard bedoeld voor gebruik door (verzekerings-)artsen die voor of in opdracht van UWV de duurbelastbaarheid van cliënten moeten bepalen. Maar ook als UWV (i.c. de afdeling Sociaal Medische Zaken) in ander verband als onderdeel van een sociaal medische beoordeling de duurbelastbaarheid van cliënten vaststelt dienen de (verzekerings-)artsen deze standaard bij hun oordeelsvorming aan te houden. Deze standaard moet dus worden gezien als een standaard voor gebruik binnen UWV, waar anderen weliswaar hun voordeel mee kunnen doen, maar zich niet aan behoeven te committeren.” De deskundige acht de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ niet geschikt voor de situatie van eiseres omdat hij deze standaard niet passend acht bij aandoeningen waarbij sprake is van fluctuerende klachten, verstoorde circadiaanse ritmes en fysiologische beperkingen. Dit standpunt kan echter niet gevolgd worden. Er ligt geen objectief onderzoek ten grondslag aan de fluctuerende klachten van eiseres en de gestelde diagnose. Het ervaren van subjectieve klachten is geen reden om de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ ongeschikt te achten en niet te gebruiken. Hoewel de aandoening van eiseres niet genoemd wordt in de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’, worden er wel andere aandoeningen genoemd die gepaard gaan met fysiologische beperkingen en fluctuerende klachten. Tevens wordt in deze standaard specifiek ingegaan op circadiane ritmestoornissen. Er is dan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen reden om de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ in de situatie van eiseres niet toe te passen. Verder merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de door de deskundige aangegeven beperking op de werktijden, met name waar het de pacing betreft, niet werkbaar is voor een arbeidsdeskundige. Het is echter wel de taak van een verzekeringsarts om duidelijke en voor de arbeidsdeskundige werkbare beperkingen aan te geven in een FML.
8. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.
8.1.
Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft de aanwezige stukken bestudeerd en eiseres gezien. Hij heeft rekening gehouden met de gegevens van de re-integratie, waarbij hij informatie van de behandelend specialisten heeft betrokken. De deskundige heeft toegelicht dat hij ook belang hecht aan de informatie van de bedrijfsarts en de sportarts. In zijn rapport heeft de deskundige navolgbaar gemotiveerd uiteengezet waarom hij eiseres per april 2022 meer beperkt acht dan is vastgesteld in de FML. Hieruit volgt dat gelet op alle gegevens met name de duurbeperking van 6 uur per dag en 30 uren per week onvoldoende is voor eiseres. Voor zover de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de diagnose van eiseres is vastgesteld op basis van subjectieve klachten (fluctuerende klachten) die door haar ervaren worden na mentale of lichamelijke inspanning, maar hier geen objectief onderzoek aan ten grondslag ligt, overweegt de rechtbank dat de deskundige deze conclusie heeft gebaseerd op de gehele gezondheidssituatie van eiseres. De deskundige heeft in zijn rapport inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hoe hij vanuit zijn expertise tot zijn conclusies is gekomen. Daarbij heeft hij uitgebreid toegelicht hoe de beperkingen voor eiseres zijn onderbouwd met verwijzingen naar meerdere bevindingen van de behandelend sector. Hierbij heeft hij van belang geacht dat eiseres tijdens de re-integratie diverse malen over haar eigen grenzen is gegaan. Mede gelet op gevolgen hiervan is uitbreiding van haar uren gestagneerd. Juist de volledige dag en weekbesteding is hierdoor aangepast om overbelasting te voorkomen. De deskundige heeft toegelicht dat bij eiseres van belang is dat zij na een werkdag van enkele uren een volgende dag niet werkzaam kan zijn in verband met recuperatie die noodzakelijk wordt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de beperking in de werktijden niet werkbaar zou zijn. Gelet op het voorgaande is voldoende toegelicht en navolgbaar uiteengezet dat het standpunt van het UWV dat eiseres in staat is om 5 dagen per week en 6 uur per dag werkzaam te kunnen zijn, niet kan worden gehandhaafd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de conclusie van de deskundige op dit punt niet te volgen.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de deskundige duidelijk heeft toegelicht hoe de situatie van eiseres was ten tijde van de datum in geding in april 2022. Dat eiseres zich per 27 maart 2023 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld en haar inmiddels in 2025 een IVA-uitkering ontvangt, is niet van belang geweest bij de beoordeling van haar situatie in april 2022.
8.3.
Omdat moet worden uitgegaan van een urenbeperking van 3 uur per dag, verspreid over drie dagen per week, terwijl het UWV hiermee geen rekening heeft gehouden en eiseres belastbaar heeft geacht voor 6 uur per dag, vijf dagen per week, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag. Dit geldt eveneens voor de beperkingen in de FML waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven deze te kunnen volgen, maar die niet zijn neergelegd in een aangepaste FML en arbeidsdeskundige beoordeling. Dat betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.
9. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien omdat nog een nadere arbeidsdeskundige beoordeling moet plaatsvinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Dat zou, naar het zich laat aanzien, geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
12. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het UWV binnen zestien weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.