ECLI:NL:RBROT:2025:14957

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/10/705596 / HA ZA 25-705
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in incident over de onredelijke bezwarendheid van een arbitragebeding in een internationale verhuisovereenkomst

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een incident betreffende de onbevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van eiser, [eiser], tegen Gerson Relocation B.V. De eiser vordert schadevergoeding voor verloren inboedel tijdens een verhuizing van Zwitserland naar de Verenigde Staten. Gerson heeft aangevoerd dat de rechtbank onbevoegd is vanwege een arbitragebeding in de Nederlandse Expeditievoorwaarden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het arbitragebeding als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt op basis van artikel 6:236, sub n, BW, en heeft de incidentele vordering van Gerson tot onbevoegdverklaring afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het arbitragebeding geen redelijke termijn biedt voor de consument om te kiezen voor de bevoegde rechter, en dat de consument zich kan beroepen op vernietiging van het beding. Gerson is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/705596 / HA ZA 25-705
Vonnis in incident van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ( [land] ),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. J. Driessen,
tegen
GERSON RELOCATION B.V.,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. W.M. van Rossenberg.
Partijen worden hierna [eiser] en Gerson genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 augustus 2025, met bijlagen 1 tot en met 23;
  • de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid, met bijlage 1;
  • de conclusie van antwoord in incident;
  • de akte in het bevoegdheidsincident van Gerson.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
[eiser] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. Gerson te veroordelen om aan [eiser] te betalen USD 41.850,00 voor de verloren inboedel, alsmede EUR 854,70 voor de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, alsmede de wettelijke rente over voornoemde bedragen, berekend vanaf 17 april 2024, althans, 23 januari 2025, althans, vanaf 14 dagen na betekening van de dagvaarding, althans, in goede Justitia te bepalen datum tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede EUR 1.177,53 ter vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten;
II. Gerson te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de tolk en het salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het door de rechtbank te wijzen eindvonnis, en – voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode na het aflopen van deze termijn;
III. voorts met veroordeling van Gerson tot betaling aan [eiser] van de na het gewezen vonnis verschuldigde kosten binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, begroot op EUR 178,00 zonder betekening in conventie of reconventie, begroot op EUR 278,00 zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, telkens te vermeerderen met EUR 92,00 in geval van betekening van het vonnis en – voor het geval gedaagden die kosten niet binnen 14 dagen voldoen – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het verval van die termijn.
2.2.
[eiser] legt – kort gezegd – het volgende ten grondslag aan zijn vorderingen. Gerson heeft in opdracht van [eiser] goederen verhuisd van (de toenmalige woning van [eiser] in) Zwitserland naar de Verenigde Staten van Amerika. Een gedeelte van de goederen is tijdens de verhuizing verloren gegaan c.q. vermist geraakt als gevolg van roekeloos handelen door Gerson. Gerson is aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het verlies van de goederen. Daarnaast heeft [eiser] de met Gerson gesloten overeenkomst gedeeltelijk ontbonden op grond van wanprestatie. [eiser] vordert om die reden terugbetaling van een gedeelte van het uit hoofde van de overeenkomst door [eiser] aan Gerson betaalde bedrag.
2.3.
Gerson heeft nog niet op de dagvaarding gereageerd.

3.Het geschil in het incident

3.1.
Gerson voert aan dat dat de rechtbank absoluut onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak, omdat tussen partijen een arbitragebeding is overeengekomen. De inhoud van dat arbitragebeding, dat is opgenomen in artikel 23, lid 1, van de Nederlandse Expeditievoorwaarden, luidt – in de Nederlandse versie daarvan – als volgt:

1. Alle geschillen, die tussen de Expediteur en zijn wederpartij mochten ontstaan, zullen met uitsluiting van de gewone rechter in hoogste ressort worden beslist door drie arbiters conform het FENEX arbitragereglement. Het FENEX arbitragereglement en de actuele tarieven van de arbitrageprocedure zijn te lezen en downloaden via de FENEX website. Een geschil is aanwezig wanneer één der partijen verklaart dat dit het geval is.
Onverminderd het in de voorgaande alinea bepaalde staat het de Expediteur vrij vorderingen van opeisbare geldsommen, waarvan de verschuldigdheid niet door de wederpartij binnen vier weken na factuurdatum schriftelijk is betwist, voor te leggen aan de bevoegde Nederlandse rechter in de vestigingsplaats van de Expediteur. Eveneens staat het de expediteur vrij vorderingen met een spoedeisend karakter in kort geding voor te leggen aan de bevoegde Nederlandse rechter in de vestigingsplaats van de expediteur.
3.2.
[eiser] voert verweer en stelt dat het arbitragebeding vernietigbaar is op grond van artikel 6:236, sub n, BW.

4.De beoordeling in het incident

Het toepasselijk recht
4.1.
Het geschil tussen partijen heeft een internationaal karakter, omdat [eiser] in [land] woont en Gerson in Nederland is gevestigd. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen welk recht van toepassing is op de in het incident voorliggende vraag. [eiser] heeft niet betwist dat partijen het arbitragebeding zijn overeengekomen (en betwist de formele geldigheid dus niet), maar betwist de materiële geldigheid door zich te beroepen op de onredelijke bezwarendheid van dit beding.
4.2.
Op grond van artikel 10:166 BW is een overeenkomst tot arbitrage materieel geldig als zij geldig is naar het recht dat partijen hebben gekozen of naar het recht van de plaats van arbitrage of als partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, naar het recht dat van toepassing is op de (hoofd)overeenkomst. Dit is onafhankelijk van het feit of de arbitrageovereenkomst een zelfstandig document is of (zoals in deze zaak) de arbitrageovereenkomst een clausule is in een andere overeenkomst.
4.3.
De rechtbank constateert dat partijen geen (afzonderlijke) rechtskeuze hebben gemaakt ten behoeve van hun arbitrageovereenkomst. Nu echter vast staat dat in artikel 21, lid 1, van de Nederlandse Expeditievoorwaarden, waarvan tussen partijen niet in geschil is dat die van toepassing zijn op de tussen hen gesloten hoofdovereenkomst, een rechtskeuze voor Nederlands recht is opgenomen en partijen in het debat rondom de geldigheid van het arbitragebeding ook naar Nederlands recht hebben verwezen, oordeelt de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op de in het incident voorliggende vraag.
Het arbitragebeding moet als onredelijk bezwarend buiten toepassing worden gesteld
4.4.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of het arbitragebeding al dan niet als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt en, in het verlengde daarvan, of [eiser] zich om die reden op vernietiging van het arbitragebeding kan beroepen.
4.5.
Vooropgesteld wordt dat het arbitragebeding als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW is aan te merken. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het arbitragebeding een beding betreft dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen en dat geen sprake is van een beding dat de kern van de prestaties weergeeft. Het is ook niet in geschil dat Gerson bij het sluiten van de overeenkomst als professionele partij handelde in de uitoefening van haar bedrijf. De rechtbank heeft verder geen enkele reden om eraan te twijfelen dat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst moet worden aangemerkt als consument, zodat de rechtbank voorbijgaat aan de ontkenning – bij gebreke van wetenschap – daarvan door Gerson.
4.6.
Een beding in algemene voorwaarden is op grond van artikel 6:233, aanhef en sub a, BW vernietigbaar als het, gelet op (i) de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, (ii) de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, (iii) de wederzijds kenbare belangen van partijen en (iv) de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Op grond van artikel 6:236, sub n, BW wordt een beding dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, als onredelijk bezwarend aangemerkt. Dit is alleen anders als het beding de consument een termijn gunt van ten minste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk tegenover hem op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen.
4.7.
Het in artikel 23, lid 1, van de Nederlandse Expeditievoorwaarden opgenomen arbitragebeding is niet in overeenstemming hiermee opgesteld. Het beding gunt [eiser] immers geen termijn van ten minste een maand nadat Gerson zich schriftelijk tegenover hem op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. Het is daarbij, anders dan Gerson aanvoert, niet relevant dat [eiser] er sinds 15 september 2025 (de datum waarop Gerson hem blijkbaar de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid heeft toegestuurd) van op de hoogte was dat Gerson zich op het arbitragebeding beroept en dat meer dan een maand is verstreken voordat [eiser] vervolgens een beroep heeft gedaan op vernietiging van het arbitragebeding; bepalend is de formulering van het arbitragebeding zelf.
4.8.
De rechtbank volgt Gerson niet in haar standpunt dat [eiser] het recht om zich op vernietiging van het arbitragebeding te beroepen heeft verwerkt c.q. daar afstand van heeft gedaan door in de dagvaarding “gaaf en onvoorwaardelijk” de toepasselijkheid van de Nederlandse Expeditievoorwaarden te erkennen.
4.8.1.
Artikel 6:236, sub n, BW is van dwingend recht en van dwingendrechtelijke wetsbepalingen kan in principe geen afstand worden gedaan. Bovendien is voor afstand van recht vereist dat de wil van de afstand doende persoon erop gericht was zijn recht prijs te geven (artikel 3:33 BW). In deze zaak blijkt nergens uit dat de wil van [eiser] erop gericht was om zijn recht op vernietiging van het arbitragebeding prijs te geven.
4.8.2.
Voor rechtsverwerking is vereist dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de rechthebbende nog aanspraak maakt op zijn recht, gezien (1) eerdere gedragingen van de rechthebbende die daarmee onverenigbaar zijn of (2) het verloop van een wettelijk vastgestelde termijn om in actie te komen. Van het verloop van een wettelijk vastgestelde termijn om in actie te komen, is in dit geval geen sprake. De enkele omstandigheid dat [eiser] in de dagvaarding stelt dat de Nederlandse Expeditievoorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn, dwingt verder niet tot de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] nog aanspraak kan maken op vernietiging van het in die voorwaarden opgenomen arbitragebeding. Daarbij speelt ook een rol dat het gaat om een beding waarvan ter bescherming van een consument, zoals [eiser] , in de wet is bepaald dat het onredelijk bezwarend is (de zogenaamde zwarte lijst).
4.9.
De rechtbank volgt Gerson tot slot ook niet in haar standpunt dat [eiser] gelet op het bepaalde in artikel 6:247, lid 4, BW geen beroep op artikel 6:236, sub n, BW kan doen, omdat [eiser] niet in Nederland woont. Dat staat namelijk niet in dat wetsartikel. In het geval dat de consument (hier: [eiser] ) niet in Nederland woont, is voor het antwoord op de vraag of die consument zich op artikel 6:236, sub n, BW kan beroepen bepalend of op de tussen partijen gesloten overeenkomst Nederlands recht van toepassing is. Dat is in deze zaak het geval (zie overwegingen 4.1. tot en met 4.3.) en om die reden kan [eiser] zich ook op de in het Nederlandse Burgerlijk Wetboek opgenomen wetsartikelen beroepen, waaronder artikel 6:236, sub n, BW.
4.10.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in artikel 23, lid 1, van de Nederlandse Expeditievoorwaarden opgenomen arbitragebeding als onredelijk bezwarend voor [eiser] moet worden aangemerkt en dat [eiser] zich om die reden op vernietiging daarvan kan beroepen.
De conclusie
4.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de incidentele vordering van Gerson tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen.
De proceskosten
4.12.
Gerson is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00

5.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt Gerson in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Gerson de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Gerson € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van
28 januari 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
3349 / 2459