ECLI:NL:RBROT:2025:14955

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11890017 CV EXPL 25-20083
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incidentele vordering tot inzage in de Grondroerderszaak

In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, betreft het een incidentele vordering tot inzage in documenten door [bedrijf A] tegen [bedrijf B]. De procedure is gestart met een dagvaarding op 8 augustus 2025, waarin [bedrijf A] [bedrijf B] aansprakelijk stelt voor schade aan een drinkwaterleiding die is ontstaan tijdens rioleringswerkzaamheden. [bedrijf A] eist een schadevergoeding van € 9.377,72 en heeft een incidentele eis ingediend om inzage te krijgen in relevante documenten die [bedrijf B] in haar bezit heeft, om haar vordering te onderbouwen. De kantonrechter heeft de incidentele eis beoordeeld aan de hand van artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechter concludeert dat [bedrijf A] onvoldoende belang heeft bij de inzage, omdat [bedrijf B] al de beschikbare informatie heeft overgelegd en de overige gevraagde documenten niet bestaan. De kantonrechter wijst de incidentele eis af, maar veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten van het incident, die op nihil worden begroot. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor conclusie van antwoord door [bedrijf B].

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11890017 CV EXPL 25-20083
datum uitspraak: 21 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf A],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. F.J. van Velsen,
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. B.E.L.L.A. Wils.
De partijen worden hierna ‘ [bedrijf A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 8 augustus 2025;
  • de incidentele conclusie tot inzage (artikel 194 Rv) van [bedrijf A] ;
  • de e-mail van de gemachtigde van [bedrijf A] van 20 oktober 2025, waarin de kantonrechter wordt verzocht een mondelinge behandeling in het incident te bepalen;
  • het antwoord in het incident, met bijlagen.

2.De eis in de hoofdzaak

2.1.
[bedrijf A] eist in de hoofdzaak samengevat:
  • [bedrijf B] te veroordelen aan haar te betalen € 9.377,72, met rente;
  • [bedrijf B] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 7.422,84, kosten van vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 700,- en rente van € 1.214,88 (berekend tot 8 augustus 2025).
2.2.
[bedrijf A] heeft aan haar eis ten grondslag gelegd dat er op 27 april 2023 geconstateerd is dat er in de [straatnaam] in Capelle aan den IJssel, ter hoogte van nummer [huisnummer X] , schade is ontstaan aan een onderdeel van het ondergrondse drinkwaternet van [bedrijf A] , op welke locatie door [bedrijf B] rioleringswerkzaamheden werden uitgevoerd. [bedrijf A] stelt dat de schade in totaal € 8.122,84 (exclusief rente) bedraagt. Volgens [bedrijf A] is [bedrijf B] aansprakelijk voor deze schade, omdat [bedrijf B] onrechtmatig heeft gehandeld door bij haar werkzaamheden de zorgplichten te schenden, die voortvloeien uit de CROW 500-richtlijn [1] (hierna: ‘de Richtlijn’).

3.De eis en het verweer in het incident

3.1.
Om de grondslag van haar vordering in de hoofdzaak te kunnen onderbouwen – het onrechtmatig handelen door [bedrijf B] door het schenden van haar zorgplichten – wil [bedrijf A] inzage in de relevante informatie/gegevens, voortvloeiende uit de in de Richtlijn genoemde onderzoeksfase, ontwerpfase, werkvoorbereidingsfase en uitvoeringsfase. Daarbij gaat het – zakelijk weergegeven – volgens [bedrijf A] om de volgende informatie/gegevens:
uit de onderzoeksfase:
  • het oriëntatieverzoek voor dit project (inclusief de intekening van de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
  • de risico-inventarisatie van mogelijke conflicten (met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
  • de uit het onderzoek voortvloeiende beoogde beheersmaatregelen (met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
uit de ontwerpfase:
  • het maatregelenplan (in ieder geval met de ontworpen beheersmaatregelen met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
  • de herleidbaar vastgelegde resultaten van het lokaliseren (van in ieder geval de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding), voor zover beschikbaar voorzien van dag en tijd van iedere vastlegging;
  • de vastlegging(en) van de bereikte overeenstemming met de betrokken partijen (in ieder geval met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
  • kabel- en leidingtekening, als een van de beoogde resultaten van de ontwerpfase (met daarin in ieder geval ingetekend de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
uit de werkvoorbereidingsfase:
  • de werkinstructies met daarin ieder geval opgenomen de specifieke instructies ter zake van beheersmaatregelen (in ieder geval met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
  • de specifieke werkinstructies zoals die zijn opgesteld naar aanleiding van de Veiligheidsvoorschriften van [bedrijf A] , met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding;
uit de uitvoeringsfase:
  • de herleidbare vastleggingen van het voor de tweede keer lokaliseren (in ieder geval met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding);
  • de relevante gegevens aangaande de gehouden startwerkbespreking(en) en gegevens omtrent de verificatie dat de beheersmaatregelen naar behoren zijn uitgevoerd (in ieder geval met betrekking tot de uiteindelijk beschadigd geraakte drinkwaterleiding).
3.2.
[bedrijf A] eist dat [bedrijf B] wordt veroordeeld binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis afschriften te verstrekken van de gegevens(verzamelingen), zoals hiervoor bij 3.1 genoemd, op straffe van een dwangsom.
3.3.
[bedrijf B] is het niet eens met de incidentele eis en voert aan dat het incident nodeloos is opgeworpen en misbruik van procesrecht oplevert. Zij stelt dat [bedrijf A] voorafgaand aan de dagvaarding niet om deze informatie heeft gevraagd en dat, als [bedrijf A] dat wel had gedaan, zij de informatie waarover zij beschikt ook had gegeven. Volgens [bedrijf B] is er bovendien niet voldaan aan de vereisten voor toewijzing. Zij voert aan dat [bedrijf A] geen belang heeft bij haar eis, omdat zij haar stellingen al bij dagvaarding ‘handen en voeten’ had moeten geven. Daarnaast heeft [bedrijf B] de door [bedrijf A] verlangde informatie, voor zover zij daarover beschikt, bij haar antwoord in incident in het geding gebracht, waarbij zij heeft aangevoerd niet over meer of andere informatie te beschikken. Volgens [bedrijf B] moet de eis, inclusief de geëiste dwangsom, dan ook worden afgewezen.
3.4.
[bedrijf A] heeft de kantonrechter verzocht om een mondelinge behandeling in het incident te bepalen. Zij heeft dat verzoek niet nader gemotiveerd. De kantonrechter acht een mondelinge behandeling in het incident niet nodig en wijst daarom direct vonnis in het incident.

4.De beoordeling

Het toetsingskader
4.1.
[bedrijf A] heeft aan haar incidentele eis artikel 194 Rv ten grondslag gelegd. In dat artikel is bepaald dat een partij onder omstandigheden recht heeft op inzage in of afschrift van bepaalde gegevens die een ander onder zich heeft. Daarbij gaat het om een buitengerechtelijk inzageverzoek. Daarvan is hier geen sprake. [bedrijf A] heeft namelijk tijdens onderhavige procedure, op de eerste rolzitting, een incidentele eis ingesteld. Artikel 195 Rv heeft betrekking op het verzoek om inzage tijdens een lopende procedure. De rechter kan naar aanleiding van een verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1, eerste volzin, Rv recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Gelet hierop gaat de kantonrechter er, net als [bedrijf B] , van uit dat [bedrijf A] heeft bedoeld haar incidentele eis op artikel 195 Rv baseert.
4.2.
Voor toewijzing van een vordering in de zin van artikel 195 Rv moet aan de in de eerste volzin van artikel 194 Rv lid 1 BW genoemde vereisten zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (a) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (b) de verlangde informatie moet voldoende bepaalbaar (oftewel voldoende concreet omschreven) zijn. Verder moet (c) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.
a) partij bij een rechtsbetrekking
4.3.
Het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ moet ruim worden opgevat. Onder een rechtsbetrekking worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen twee of meer partijen verstaan. Hieronder vallen de rechten en plichten van partijen bij een tussen hen gesloten overeenkomst en bij verbintenissen uit de wet.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is aan deze voorwaarde voldaan. De rechtsbetrekking tussen partijen bestaat in dit geval namelijk uit een verbintenis uit de wet, namelijk onrechtmatige daad. Het bestaan van die rechtsbetrekking hoeft overigens nog niet in rechte vast te staan. Partij bij een rechtsbetrekking kan eenieder zijn die bij een rechtsbetrekking is of wordt betrokken. De inzet van een procedure kan ook juist bestaan in de vraag of tussen partijen al dan niet een rechtsbetrekking bestaat.
c) voldoende belang
4.5.
Onder het tot 1 januari 2025 geldende art. 843a Rv (oud) was voor inzage een rechtmatig belang vereist. Dit vereiste is vervangen door de eis van ‘voldoende’ belang. Als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, moet inzage worden verstrekt.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [bedrijf A] aannemelijk heeft gemaakt dat zij een belang heeft bij haar informatieverzoek. [bedrijf A] heeft in dat verband in voldoende mate toegelicht dat zij, om haar stelling dat [bedrijf B] haar zorgplichten in het kader van een zorgvuldig graafproces heeft geschonden verder te kunnen onderbouwen, de in de Richtlijn genoemde informatie nodig heeft. Aan de hand van die informatie kan immers nader beoordeeld worden in hoeverre [bedrijf B] de op haar rustende zorgplichten al dan niet is nagekomen. Daarbij gaat het om informatie waar zij zelf niet over beschikt, maar [bedrijf B] mogelijk wel.
b) verlangde informatie voldoende bepaald
4.7.
Recht op inzage bestaat alleen van bepaalde gegevens die relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de informatieverzoeker partij is. De gegevens waarvan inzage wordt gevorderd moeten in elk geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld. Van belang is dat de wederpartij weet (of kan weten) welke stukken worden gevraagd.
4.8.
Ook aan dit vereiste is naar het oordeel van de kantonrechter voldaan. [bedrijf A] heeft de gevraagde informatie voldoende concreet omschreven, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de inhoud van de Richtlijn. Daarbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat, juist omdat [bedrijf A] zelf niet over de genoemde documenten beschikt en de precieze inhoud van daarvan haar onbekend is, niet van haar verlangd kan worden dat zij de betreffende informatie nog concreter aanduidt dan zij nu heeft gedaan.
d) beschikken over de gevraagde informatie
4.9.
Het recht op inzage van bepaalde gegevens over een rechtsbetrekking bestaat tegenover degene die over die gegevens beschikt. Van het beschikken over gegevens is in elk geval sprake als een partij de gegevens waarvan inzage wordt verlangd, fysiek onder zich heeft. Het kan ook zijn dat de aangesproken partij de gegevens niet fysiek ter beschikking heeft, maar deze wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen. Gelet op de verplichting van een partij bij een rechtsbetrekking om mee te werken aan de opheldering van feiten en aan de oplossing van een geschil moet de zinsnede ‘tegenover degene die daarover beschikt’ zo ruim worden uitgelegd dat de aangesproken partij ook in dat geval gehouden is om de gegevens bij die derde op te vragen.
4.10.
[bedrijf B] heeft aangevoerd dat zij slechts beschikt over een afschrift van het oriëntatieverzoek en het overzicht van de beheerders met kabels en/of leidingen in het betreffende gebied en heeft deze ook bij haar antwoord in het incident in het geding gebracht. [bedrijf B] heeft daarbij ook aangegeven dat zij verder niet beschikt over de overige gevraagde documenten en dat zij niet veroordeeld kan worden tot het verstrekken van stukken die niet bestaan.
[bedrijf A] heeft geen belang meer bij toewijzing van haar incidentele eis
4.11.
[bedrijf B] heeft de informatie, waarover zij beschikt, al in het geding gebracht. Uit hetgeen zij heeft aangevoerd, leidt de kantonrechter bovendien af dat de overige gevraagde informatie simpelweg niet bestaat. In het tot op heden zeer summiere procesdossier is ook geen concrete aanwijzing te vinden waaruit het tegendeel kan worden afgeleid. Ook is niet gesteld of gebleken dat de informatie mogelijk in bezit is van een derde en door [bedrijf B] eenvoudig bij die derde zou kunnen worden opgevraagd.
4.12.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat, hoewel [bedrijf A] in beginsel terecht inzage vraagt in de genoemde informatie, haar incidentele eis toch zal worden afgewezen. Omdat [bedrijf B] de beschikbare informatie al in het geding heeft gebracht en van het bestaan van de overige genoemde documenten niet gebleken is, heeft [bedrijf A] geen belang meer bij toewijzing van haar inzageverzoek. Dat betekent dat de incidentele eis wordt afgewezen.
Er is geen sprake van misbruik van procesrecht
4.13.
De kantonrechter volgt [bedrijf B] niet in haar stelling dat sprake is van misbruik van procesrecht door het nodeloos instellen van de onderhavige incidentele eis door [bedrijf A] . Anders dan [bedrijf B] lijkt te betogen, is niet vereist dat [bedrijf A] al voorafgaand aan deze procedure buiten rechte moet hebben verzocht om de nu gevraagde informatie. De mogelijkheid van artikel 195 Rv bestaat naast artikel 194 Rv. Het is dus niet zo dat pas de mogelijkheid tot een inzageverzoek bij de rechter ontstaat als een partij eerst buiten rechte heeft verzocht om de informatie. Het nieuwe bewijsrecht (per 1 januari 2025) heeft slechts de mogelijkheid verschaft om buiten rechte informatie op te vragen of in te zien. Als de wederpartij niet meewerkt, kan de partij bij de rechter een inzageverzoek afdwingen. In een lopende procedure kan de partij zich echter rechtstreeks tot de rechter wenden.
4.14.
De stelling van [bedrijf B] dat [bedrijf A] in de dagvaarding haar eis in de hoofdzaak niet feitelijk onderbouwd heeft en dat [bedrijf B] daardoor onredelijk in haar verweermogelijkheden en haar belangen wordt geschaad, maakt het voorgaande niet anders. Dat verweer is immers slechts van belang voor de beoordeling van de eis van [bedrijf A] in de hoofdzaak.
De proceskosten in het incident
4.15.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [bedrijf B] , omdat zij als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd. De incidentele eis van [bedrijf A] was immers toewijsbaar, maar wordt slechts afgewezen omdat [bedrijf B] de beschikbare stukken al bij haar antwoord in het incident heeft overgelegd. De incidentele eis is door [bedrijf A] echter al op de eerste rolzitting ingediend. Zonder nadere toelichting – die [bedrijf A] niet heeft gegeven – valt dan ook niet in te zien waarom [bedrijf A] haar incidentele eis niet direct in de dagvaarding had kunnen opnemen. Gelet daarop ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten in het incident te begroten op nihil.
Het vervolg in de hoofdzaak
4.16.
[bedrijf B] heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen. De hoofdzaak wordt daarom verwezen naar de hierna bij de beslissing genoemde rolzitting, zodat [bedrijf B] op die zitting een conclusie van antwoord in de hoofdzaak kan indienen.
4.17.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
5.1.
wijst de eis af;
5.2.
veroordeelt [bedrijf B] in de kosten van dit incident, die aan de kant van [bedrijf A] worden begroot op nihil;
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de hoofdzaak naar de rolzitting van
donderdag 18 december 2025 om 11.30 uurvoor conclusie van antwoord aan de zijde van [bedrijf B] .
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.De Richtlijn ‘CROW 500 Schade voorkomen aan kabels en leidingen - Richtlijn zorgvuldig grondroeren van initiatief- tot gebruiksfase’