Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
2.[gedaagde 2] ,
3.[gedaagde 3] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 19 maart 2025, met bijlagen;
- het antwoord van [gedaagde 1] , met bijlagen;
- de twee e-mails van Woonstad met aanvullende bijlagen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De huurder [gedaagde 1] huurt sinds 2007 een sociale huurwoning van Woonstad Rotterdam. Naar aanleiding van een melding en onderzoek van Woonstad en de gemeente Rotterdam is vastgesteld dat zij niet haar hoofdverblijf in de woning had en deze in gebruik had gegeven aan haar kleinzoon en diens vriendin. Ondanks onderbouwing door de huurder heeft Woonstad haar standpunt gehandhaafd en de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd.
De kantonrechter oordeelt dat de huurder tekort is geschoten in haar verplichting het hoofdverblijf in de woning te hebben, zoals vereist in de algemene voorwaarden. De onderzoeksrapporten tonen herhaaldelijk afwezigheid van de huurder in de woning en aanwezigheid van derden. De huurder heeft onvoldoende bewijs geleverd dat zij wel het hoofdverblijf had, ook niet door haar medische omstandigheden of tijdelijk verblijf elders.
De ontbinding van de huurovereenkomst wordt gerechtvaardigd geacht vanwege de ernst van de tekortkomingen en het belang van Woonstad bij het beschikken over de woning. De huurder en de overige bewoners moeten de woning binnen veertien dagen ontruimen. De proceskosten worden aan hen opgelegd. Een bepaling over incassokosten wordt als oneerlijk afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder en overige bewoners moeten de woning binnen veertien dagen ontruimen.