ECLI:NL:RBROT:2025:14926

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/10/708776 / JE RK 25-2168
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JwArtikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige verlengd met voorwaardenplan

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor een minderjarige, die momenteel verblijft in een gesloten groep bij een instelling. De kinderrechter heeft op 5 december 2025 de zitting gehouden, waarbij de vader, de minderjarige en hun advocaten aanwezig waren. De minderjarige is bijgestaan door een beëdigde tolk vanwege taalbarrière.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling ernstig belemmeren, waardoor gesloten jeugdhulp noodzakelijk is. Er is overeenstemming dat het goed moet gaan met de minderjarige, die zich inzet en weer naar school gaat, maar er blijven zorgen over veiligheid en gezagsacceptatie. De minderjarige wil graag terug naar huis of naar een minder gesloten setting, maar een concreet voorwaardenplan ontbreekt nog.

De kinderrechter besluit daarom de machtiging gesloten jeugdhulp te verlengen voor een periode van twee maanden, met aanhouding van het resterende verzoek. In deze periode moeten de minderjarige, haar advocaat en de gecertificeerde instelling samenwerken aan een concreet voorwaardenplan gericht op een hybride plaatsing. De vader wordt hierbij betrokken. Een rapportage over de voortgang wordt uiterlijk een week voor de volgende zitting verwacht. De beslissing is op 19 december 2025 schriftelijk vastgelegd en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De machtiging gesloten jeugdhulp wordt verlengd voor twee maanden met aanhouding van het resterende verzoek en opdracht tot het opstellen van een voorwaardenplan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708776 / JE RK 25-2168
Datum uitspraak: 5 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. J.A. Smits, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaatsnaam] .
advocaat: mr. G.H. Kroon, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 10 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • namens [minderjarige] , haar advocaat mr. J.A. Smits;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
1.3.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Arabisch, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2] , tolk in de taal Arabisch. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter, waarbij [minderjarige] is bijgestaan door haar advocaat. [minderjarige] heeft tijdens dit gesprek verklaard niet aanwezig te willen zijn bij de mondelinge behandeling, maar wel tijdens de uitspraak. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten2.1. De vader is belast met het gezag over [minderjarige] .

2.2.
[minderjarige] verblijft op een gesloten groep bij [naam instelling] .
2.3.
Bij beschikking van 10 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking is een machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] verleend, met ingang van 14 november 2025 tot 14 december 2025. Het overig verzochte is daarbij aangehouden tot deze zitting.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Op de zitting van 10 november 2025 is reeds beslist op de periode van één maand. Er resteert nu een beslissing op de periode van vijf maanden.
3.2.
De GI brengt op de zitting het volgende naar voren. [minderjarige] verblijft momenteel bij [naam instelling] . Er wordt gezocht naar wat op dit moment het beste is voor [minderjarige] . Er zijn nog altijd zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling. Tegelijkertijd wordt gezien dat het op [naam instelling] beter met haar gaat. De opbouw van contacten, telefoongebruik en vrijheden is echter nog maar net gestart. Eerst moet worden bekeken hoe [minderjarige] hiermee omgaat en waar de risico’s liggen. Verder is het belangrijk dat [minderjarige] de kans krijgt om haar kant van het verhaal te vertellen. In de komende periode wil de GI werken aan een concreet voorwaardenplan gericht op een hybride plaatsing. Het kan lastig zijn om binnen één à twee maanden een volledig uitgewerkt plan te maken, gezien de complexiteit van de situatie.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader wordt op de zitting het volgende aangegeven. De vader heeft de afgelopen periode door ziekte [minderjarige] niet kunnen bezoeken. Hij heeft wel telefonisch contact met haar gehad. Dat contact verliep positief. Ook de ontmoeting voorafgaand aan de zitting was voor beiden emotioneel en liefdevol. De vader wil het liefst dat [minderjarige] weer naar huis komt. Echter ziet hij ook in dat hij haar op dit moment nog niet de structuur en veiligheid kan bieden die zij nodig heeft. Hij stelt het belang van [minderjarige] voorop. Een langdurige gesloten plaatsing lijkt echter niet wenselijk. Er moet zicht blijven op meer vrijheden voor [minderjarige] middels een hybride plaatsing. Een korte duur van de gesloten machtiging met duidelijke doelen richting een hybride plaatsing heeft de sterke voorkeur.
4.2.
Namens [minderjarige] wordt op de zitting aangegeven dat het goed met haar gaat op [naam instelling] . Zij voelt zich daar prettig, heeft een klik met de begeleiding en gaat weer naar school. [minderjarige] laat daarmee zien dat zij zich kan gedragen en gemotiveerd is om aan haar toekomst te werken. Zij begrijpt daarom niet waarom een gesloten machtiging nog nodig is. [minderjarige] heeft het gevoel dat er niet naar haar wordt geluisterd en dat er in de overgelegde stukken onjuiste en overdreven informatie over haar staat. Zij wil graag de kans krijgen om haar eigen verhaal te vertellen. Daarnaast wil [minderjarige] het liefst thuisgeplaatst worden bij de vader. Als dat niet kan, wil zij liever op een open of hybride groep blijven dan in een gesloten setting geplaatst worden. Daarna wil zij gaan toewerken naar een Kamertrainingscentrum (hierna: KTC). [minderjarige] ervaart de gesloten plaatsing als zwaar en demotiverend. Het is van groot belang dat zij gemotiveerd blijft. Daarom wordt verzocht voor een korte duur van de gesloten machtiging met het snel toewerken naar een hybride plaatsing met vrijheden en duidelijke afspraken voor [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
De kinderrechter stelt op de zitting vast dat alle betrokkenen het eens zijn over één ding: iedereen wil dat het goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Het is van belang dat zij zich verder kan ontwikkelen richting een veilige en stabiele toekomst. De afgelopen periode blijkt [minderjarige] zich te hebben ingezet op [naam instelling] . Ook gaat zij weer naar school en heeft zij telefonisch contact met de vader. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter ook dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de veiligheid, de acceptatie van gezag en het nakomen van afspraken door [minderjarige] . [minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij klaar is voor de volgende stap en terug naar huis wil dan wel wil toewerken naar een KTC. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] de kans krijgt om te laten zien dat zij deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk kan nemen. Echter acht de kinderrechter het op dit moment nog te vroeg om de gesloten machtiging volledig te beëindigen. Er is momenteel nog geen concreet en uitgewerkt voorwaardenplan op basis waarvan kan worden overgegaan naar een hybride plaatsing, zodat [minderjarige] kan oefenen met vrijheden en het nakomen van afspraken. Wel acht de kinderrechter, gelet op de motivatie van [minderjarige] en de positieve ontwikkelingen, dat een gesloten plaatsing voor een lange termijn in de huidige situatie niet passend is.
5.3.
De kinderrechter wil [minderjarige] de kans geven om de komende periode te bewijzen dat zij de verantwoordelijkheid aankan. Daarom zal de kinderrechter de machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van twee maanden verlenen, met aanhouding van het restant van het verzoek. In de komende periode moeten [minderjarige] , met behulp van haar advocaat, en de GI samen werken aan een concreet voorwaardenplan gericht op een mogelijke hybride plaatsing. Het is van belang dat ook de vader daarbij betrokken wordt. De kinderrechter benadrukt richting [minderjarige] dat zij in de komende periode moet laten zien dat zij zich aan afspraken kan houden en kan samenwerken met de volwassenen om haar heen. Alleen dan kan er ruimte ontstaan voor meer vrijheden voor [minderjarige] en eventueel de toekomstige overstap naar een KTC.
5.4.
De GI wordt verzocht
uiterlijk een week vóór de hierna te noemen zittingsdatumeen briefrapportage (met afschrift aan de vader, zijn advocaat mr. G.H. Kroon, [minderjarige] en haar advocaat mr. J.A. Smits) te overleggen over de huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzocht wordt gehandhaafd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] met ingang van 14 december 2025 tot 14 februari 2026;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan en roept de
GI, de vader, zijn advocaat mr. G.H. Kroon, [minderjarige] en haar advocaat mr. J.A. Smits op te verschijnen tijdens de zitting van mr. DI. Hendriks-van Wel
in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 2 februari 2026 om 09:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.3.
verzoekt de GI
uiterlijk één week voor de genoemde zittingsdatumde kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de vader, zijn advocaat, [minderjarige] en haar advocaat;
6.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).