ECLI:NL:RBROT:2025:14902

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11944253 VV EXPL 25-648
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen woningruil kort geding wegens ontbreken belang

Eiser huurt een woning van Havensteder en wil deze ruilen met een ander. Hij diende een aanvraag in die door Havensteder werd afgewezen. Eiser startte een kort geding met meerdere vorderingen, waaronder het opnieuw in behandeling nemen en goedkeuren van de woningruil.

Havensteder betoogde dat eiser het kort geding misbruikte om een bodemprocedure te omzeilen en dat de vorderingen niet geschikt waren voor kort geding. De kantonrechter stelde vast dat het vonnis in de bodemprocedure na de zitting was gewezen en daarom buiten beschouwing bleef.

De kantonrechter oordeelde dat eiser geen belang had bij het opnieuw in behandeling nemen van de aanvraag en dat het goedkeuren van de woningruil een constitutief vonnis zou zijn, wat niet mogelijk is in kort geding. Ook de vorderingen tot aanhouding of verbod tot executie van het bodemvonnis werden afgewezen wegens gebrek aan belang en prematuriteit.

De proceskosten werden aan eiser opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: Alle vorderingen van eiser worden afgewezen wegens ontbreken van belang en geen ruimte voor constitutief vonnis in kort geding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11944253 VV EXPL 25-648
datum uitspraak: 25 november 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. D. Uygul - van Dam,
tegen
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Havensteder’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 5 november 2025, met productie 1 t/m 7;
  • de akte wijziging van eis en aanvullende productie 8;
  • de aktes aanvullende producties 9 en 10,
  • de akte Havensteder, met producties 1 t/m 3;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van Havensteder.
1.2.
Op 13 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] met zijn gemachtigde en [persoon A] (woonconsulent Havensteder) met gemachtigde.

2.De feiten

2.1.
[eiser] huurt van Havensteder een woning aan de [adres] ( [postcode] ) te Rotterdam. Havensteder is een ontruimingsprocedure gestart, omdat [eiser] zijn woonverblijf er niet zou hebben, de woning zou hebben onderverhuurd en niet zou hebben meegewerkt aan het laten verrichten van dringende werkzaamheden. [eiser] wil graag zijn woning ruilen met iemand uit Nieuwegein. Hij heeft daarom een aanvraag ingediend bij Havensteder om die ander in zijn plaats te mogen stellen. Dat verzoek is door Havensteder afgewezen. [eiser] is het er niet mee eens.
2.2.
[eiser] eist:
a. a) Havensteder te bevelen om de aanvraag van de woningruil met spoed opnieuw in behandeling te nemen; en/of
b) Havensteder te bevelen om op de aanvraag vóór 21 november 2025 te beslissen; en/of
c) Havensteder te bevelen om de aanvraag goed te keuren; en/of
d) Havensteder te bevelen in te stemmen met een verzoek om aanhouding van het vonnis in de bodemprocedure of Havensteder te verbieden het vonnis in de bodemprocedure te executeren;
e) a t/m e onder last van een dwangsom.
Tot slot eist [eiser] dat Havensteder wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
2.3.
Havensteder is het niet eens met de eis en voert aan dat [eiser] het recht misbruikt door met dit kort geding een poging te doen om het vonnis in de bodemprocedure te ontlopen. Ook voert zij aan dat de vorderingen van [eiser] niet geschikt zijn voor een kort geding en dat [eiser] geen belang heeft bij de vorderingen.
2.4.
Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat in de bodemprocedure op 21 november 2025 vonnis is gewezen. Omdat het vonnis is gewezen na de zitting in het onderhavige kort geding en de inhoud van het vonnis dus ook niet met partijen is besproken, zal dat vonnis in dit kort geding verder buiten beschouwing worden gelaten.

3.De beoordeling

3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor Havensteder als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Geen belang bij de vorderingen onder a en b
3.2.
De eerste vraag is in hoeverre [eiser] belang heeft bij zijn vorderingen (artikel 3:303 BW Pro). [eiser] heeft een verzoek ingediend bij Havensteder om in te stemmen met de door [eiser] beoogde woningruil. Havensteder heeft dat verzoek in behandeling genomen en afgewezen, omdat het volgens Havensteder niet voldeed (en voldoet) aan de door haar gestelde eisen. Tijdens de zitting heeft Havensteder verklaard dat heroverweging van het verzoek niet tot een andere uitkomst zou leiden. [eiser] heeft dat niet betwist. [eiser] heeft dan ook geen belang bij het opnieuw in behandeling nemen van zijn verzoek tot woningruil. De vorderingen onder a en b worden daarom afgewezen.
De vordering onder c wordt afgewezen omdat die zich niet verdraagt met de aard van het kort geding
3.3.
De kantonrechter stelt voorop dat in een kortgedingprocedure alleen voorlopige voorzieningen kunnen worden getroffen en geen beslissingen kunnen worden gegeven die de rechtstoestand van partijen vaststellen. Dat brengt mee dat, zoals door Havensteder terecht is aangevoerd, voor het geven van een constitutief vonnis in kort geding geen ruimte is. [eiser] vraagt de kantonrechter om Havensteder te verplichten zijn verzoek tot woningruil goed te keuren. Als deze vordering zou worden toegewezen, dan zou dit een nieuwe rechtsverhouding in het leven roepen en daarmee zou het vonnis dus een constitutief karakter krijgen. Ter zitting heeft [eiser] overigens ook erkend dat dit deel van de vordering in kort geding niet toewijsbaar is. De vordering onder c wordt afgewezen.
De vordering onder d wordt afgewezen, deels vanwege gebrek aan belang en deels omdat die prematuur is
3.4.
De vordering onder d wordt eveneens afgewezen. Voor het eerste deel, dat gaat over het aanhouden van het vonnis in de bodemzaak in afwachting van de behandeling van het verzoek tot woningruil, geldt dat dit dusdanig samenhangt met de vorderingen onder a en b dat [eiser] ook hier niet voldoende belang heeft bij de vordering. [eiser] heeft dat ter zitting overigens ook beaamd.
3.5.
Het tweede deel van de vordering onder d betreft een verbod aan Havensteder om het vonnis in de bodemprocedure te executeren. Deze vordering liep ten tijde van het instellen daarvan en ten tijde van de zitting vooruit op het toen nog te wijzen vonnis, waarvan de uitkomst toen nog onzeker was. Omdat de inhoud van het vonnis in de bodemprocedure geen onderdeel is geweest van het partijdebat in dit kort geding, is het niet mogelijk om in dit kort geding te toetsen of er gronden zijn om de tenuitvoerlegging van het vonnis in de bodemprocedure te schorsen. Ook het tweede deel van de vordering onder d wordt daarom afgewezen.
De vordering onder e wordt afgewezen omdat die is gekoppeld aan de andere vorderingen
3.6.
De vordering onder e is gekoppeld aan de vorderingen onder a tot en met d. Omdat deze worden afgewezen, wordt ook de vordering onder e afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.7.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan Havensteder moet betalen op € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 678,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en Havensteder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 678,00;
4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
62574