ECLI:NL:RBROT:2025:14892

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2071 en FT RK 25/2072
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in huurachterstand en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsregeling

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoeker, die te maken heeft met een huurachterstand, heeft op 19 november 2025 een verzoekschrift ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij dreigde ontruimd te worden uit zijn woning. Tijdens de zitting op 2 december 2025 was de verweerster, Stichting Woonkracht10, niet verschenen. Verzoeker heeft aangegeven dat zijn huurachterstand is opgelopen door een gebrek aan inkomsten, mede door persoonlijke omstandigheden en een beëindigd dienstverband. Hij heeft zich gemeld bij de schuldhulpverlening om zijn schuldenproblematiek aan te pakken.

De rechtbank heeft beoordeeld of er sprake was van een bedreigende situatie, zoals vereist in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoeker heeft bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat er een ontruiming op handen was. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker niet in staat is om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, aangezien hij al geruime tijd geen huur heeft betaald en momenteel geen inkomsten heeft. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het belang van de verweerster, die de ontruiming wil doorzetten, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in de woning te blijven.

Daarom heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft aangegeven dat verzoeker in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen indien nodig.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 19 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer S. Alsaadi, werkzaam bij Global Talk als tolk (telefonisch verschenen).
Stichting Woonkracht10, gevestigd te Zwijndrecht (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden de afspraak uit het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is zijn betalingsverplichting ten aanzien van de huur niet nagekomen. Hij heeft toegelicht dat dit verband hield met het feit dat hij de Nederlandse taal nog onvoldoende beheerst, dat hij in Syrië kosten moest voldoen voor de behandeling van zijn moeder en dat hij daarnaast met andere schulden werd geconfronteerd. Verzoeker heeft zich op 15 oktober 2025 gemeld bij de schuldhulpverlening om tot een oplossing van zijn schuldenproblematiek te komen.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoeker heeft een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025 overgelegd met daarin onder andere de afspraak dat de huurovereenkomst eindigt en verweerster de ontruiming mag aanzeggen indien verzoeker de aflossing of de huur niet of te laat betaalt. Daarnaast heeft verzoeker een kopie van het exploot van 4 november 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 19 maart 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft op 4 juli 2025 voor het laatst een huurbetaling verricht. Zijn dienstverband is beëindigd, waarna hij gedurende drie maanden – van augustus tot en met oktober – een WW-uitkering heeft ontvangen. Verzoeker heeft met deze inkomsten evenwel geen huur betaald, waardoor de huurachterstand de afgelopen maanden verder is opgelopen. Momenteel beschikt verzoeker over geen inkomsten, nu hij nog in afwachting is van de toekenning van een uitkering die hij halverwege november heeft aangevraagd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.