ECLI:NL:RBROT:2025:14892

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2071 en FT RK 25/2072
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming wegens huurachterstand en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsverzoek

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om ontruiming van zijn huurwoning te voorkomen. Hij kampte met een huurachterstand, veroorzaakt door het ontbreken van inkomsten en persoonlijke omstandigheden zoals zorgkosten in Syrië en onvoldoende taalvaardigheid.

De rechtbank constateert een bedreigende situatie door het proces-verbaal en exploot waarin ontruiming is aangekondigd. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster wijst uit dat het belang van verweerster, die uitvoering wil geven aan het proces-verbaal, zwaarder weegt omdat verzoeker geen zicht heeft op betaling van de huurachterstand.

Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tevens wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard, met de mogelijkheid voor verzoeker om later een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening tegen ontruiming wordt afgewezen en verzoek tot schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 19 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer S. Alsaadi, werkzaam bij Global Talk als tolk (telefonisch verschenen).
Stichting Woonkracht10, gevestigd te Zwijndrecht (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden de afspraak uit het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is zijn betalingsverplichting ten aanzien van de huur niet nagekomen. Hij heeft toegelicht dat dit verband hield met het feit dat hij de Nederlandse taal nog onvoldoende beheerst, dat hij in Syrië kosten moest voldoen voor de behandeling van zijn moeder en dat hij daarnaast met andere schulden werd geconfronteerd. Verzoeker heeft zich op 15 oktober 2025 gemeld bij de schuldhulpverlening om tot een oplossing van zijn schuldenproblematiek te komen.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoeker heeft een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025 overgelegd met daarin onder andere de afspraak dat de huurovereenkomst eindigt en verweerster de ontruiming mag aanzeggen indien verzoeker de aflossing of de huur niet of te laat betaalt. Daarnaast heeft verzoeker een kopie van het exploot van 4 november 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 19 maart 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft op 4 juli 2025 voor het laatst een huurbetaling verricht. Zijn dienstverband is beëindigd, waarna hij gedurende drie maanden – van augustus tot en met oktober – een WW-uitkering heeft ontvangen. Verzoeker heeft met deze inkomsten evenwel geen huur betaald, waardoor de huurachterstand de afgelopen maanden verder is opgelopen. Momenteel beschikt verzoeker over geen inkomsten, nu hij nog in afwachting is van de toekenning van een uitkering die hij halverwege november heeft aangevraagd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.