ECLI:NL:RBROT:2025:14885

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 september 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
24-030068 (552a Sv) en 25-004271 (552f Sv)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslag en teruggave van honden na bijtincident met schapen

Op 22 september 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende het beslag op twee honden, type Pitbull, na een bijtincident waarbij twee schapen zijn gedood. De klager, geboren in 1983 en vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. J. Biemond, had op 2 december 2024 een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a Sv tegen het beslag dat was gelegd op de honden. De officier van justitie had op 24 december 2024 een vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend voor beide honden op grond van artikel 552f Sv. De rechtbank heeft in een eerdere tussenbeslissing op 17 juni 2025 de teruggave van één van de honden gelast, maar de behandeling van de andere hond aangehouden om aanvullende informatie te verkrijgen van de Universiteit Utrecht, die een risicoanalyse had uitgevoerd. Op 8 september 2025 vond een openbare zitting plaats waarin de klager en de officier van justitie hun standpunten naar voren brachten. De officier van justitie concludeerde tot ongegrondverklaring van het klaagschrift en tot toewijzing van de onttrekking van de tweede hond, terwijl de klager het tegendeel betoogde. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de hond zodanig gevaarlijk was dat euthanasie gerechtvaardigd was. Uiteindelijk werd de vordering tot onttrekking aan het verkeer afgewezen en werd de hond aan de klager teruggegeven onder voorwaarden, omdat er geen strafvorderlijk belang meer bestond voor het beslag. De rechtbank merkte op dat de burgemeester eventueel maatregelen kan nemen bij niet-naleving van de voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2
raadkamernummers : 24-030068 (552a Sv) en 25-004271 (552f Sv)
datum : 22 september 2025
Beslissingvan de meervoudige raadkamer, op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv van:

[klager], de klager,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] voor deze zaak domicilie kiezende te [adres 2],
ten kantore van zijn advocaat mr. J. Biemond.

Procedure

Op 2 december 2024 heeft de klager op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend bij deze rechtbank tegen het beslag dat op grond van artikel 94 Sv is gelegd op de honden [naam hond 1] en [naam hond 2] (beide van het type Pitbull) na een bijtincident waarbij twee schapen zijn gedood.
Op 24 december 2024 heeft de officier van justitie op grond van artikel 552f Sv een vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend voor de beide honden.
Op 1 november 2024 heeft het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht een
risicoanalyse van de beide honden opgesteld. De klager heeft de bevindingen bij dit onderzoek met een notitie van de deskundige [naam 1] gemotiveerd betwist.
Op 2 juni 2025 heeft de rechtbank het klaagschrift en de vordering ter zitting behandeld.
Op 17 juni 2025 heeft de rechtbank in een tussenbeslissing de teruggave van de hond [naam hond 1] gelast, met afwijzing van de vordering op grond van artikel 552f Sv en gegrondverklaring van het beklag op grond van artikel 552a Sv.
Met betrekking tot de hond [naam hond 2] heeft de rechtbank de behandeling voor maximaal drie maanden aangehouden en de officier van justitie opgedragen om zorg te dragen voor een schriftelijke reactie door de onderzoekers van de Universiteit Utrecht op de bevindingen van de deskundige [naam 1] en een aanvullende vraag van de rechtbank. Ook heeft de rechtbank de klager in de gelegenheid gesteld tot het doen verrichten van een contra-expertise op eigen kosten.
In hun rapport van 10 juli 2025 hebben de onderzoekers van de Universiteit Utrecht een nader toelichting gegeven op de bevindingen bij het door hen verrichte onderzoek.
De klager heeft een gedragsbeoordeling van de hond [naam hond 2] laten uitvoeren door kynologisch gedragstherapeut [naam 2]; de uitkomsten van haar niet-gedateerde rapport werden door de rechtbank op 3 september 2025 ontvangen.
De rechtbank heeft de openbare behandeling ter zitting met betrekking tot de hond [naam hond 2] op 8 september 2025 hervat. De officier van justitie mr. R. van Loon en de klager, bijgestaan door zijn raadsman zijn gehoord. De belanghebbende [naam 3] is, hoewel goed opgeroepen, niet verschenen.

Nadere standpunten

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar het eerder op de zitting van 2 juni 2025 door hem ingenomen standpunt, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift en tot toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de hond [naam hond 2].
In aanvulling daarop heeft de officier van justitie aangevoerd dat de Universiteit Utrecht een valide onderzoek heeft uitgevoerd. De nadere reactie heeft de bevindingen bij dit onderzoek verder verduidelijkt. Uit het onderzoek blijkt dat de mogelijkheden tot een veilige terugkeer van de hond [naam hond 2] in de maatschappij als zeer beperkt worden ingeschat, zodat euthanasie wordt geadviseerd.
De uitgevoerde contra-expertise doet niet aan af aan de conclusies van de onderzoekers van de Universiteit Utrecht. [naam 2] heeft niet gekozen voor een valide testomgeving en heeft de hond [naam hond 2] meegenomen naar openbare plaatsen. Niet alleen kan de vraag worden gesteld of deze testaanpak verantwoord is, maar ook is niet is gebleken dat dit leidt tot een betere inschatting van probleemgedrag van de hond of dat deze test meer voorspellende waarde zou hebben dan die in een testomgeving. Opvallend is dat de conclusies die [naam 2] trekt naar aanleiding van haar observaties, niet overeenkomen met informatie over gedrag van honden uit openbare bronnen. Op basis daarvan kan evengoed worden geconcludeerd dat de hond [naam hond 2] een angstige, onzekere hond is, die stressgedrag vertoont en dat dit gedrag kan overgaan in agressie. Dit concluderen ook de onderzoekers van de Universiteit Utrecht. Door de kracht van een Pitbull bully XL kan bij een bijtincident veel schade worden aangericht. Het teruggeven van de hond [naam hond 2] aan de klager zou daarom volstrekt onverantwoord zijn, aldus de officier van justitie.
Het standpunt van de klager
De klager handhaaft, ook op basis van de uitgevoerde contra-expertise, het eerder ingenomen standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard, dat de hond [naam hond 2] aan hem moet worden teruggegeven en dat de vordering tot onttrekking moet worden afgewezen.
De klager herhaalt het eerder gevoerde formele verweer dat geen wettelijke basis bestaat voor het onttrekkingsverzoek, omdat er geen verdenking bestaat van een concreet strafbaar feit. [naam hond 2] moet daarom bij gebrek aan strafvorderlijk belang worden teruggegeven. Voor zover de rechtbank dit anders ziet, handhaaft de klager ook het standpunt dat de hond [naam hond 2] niet zodanig gevaarlijk is dat onttrekking aan het verkeer gerechtvaardigd zou zijn. De conclusies van de deskundigen van de Universiteit Utrecht zijn wetenschappelijk onvoldoende onderbouwd en gebaseerd op onjuiste interpretaties van het gedrag van de hond. Er is sprake van een gebrekkig, inconsistent en onvolledig onderzoek. De kanttekeningen van de deskundige [naam 1] bij het onderzoek en hierbij getrokken conclusies, zijn niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. De resultaten van de tests van de hond [naam hond 2] en de hond [naam hond 1] verschillen niet wezenlijk van elkaar, waardoor de verschillende adviezen ten aanzien van de beide honden onbegrijpelijk zijn. Op dit punt hebben de onderzoekers in hun aanvullende rapport geen specifieke verklaring gegeven.
De bevindingen, conclusies en het advies van de kynologisch gedragstherapeut [naam 2] staan lijnrecht tegenover het advies van de Universiteit Utrecht. [naam 2] concludeert op basis van haar observaties dat de hond [naam hond 2] geen gedragsproblemen vertoont, zodat euthanasie niet gerechtvaardigd is. Dit praktijkonderzoek door [naam 2], waarbij de klager als eigenaar van de hond deels aanwezig was, heeft grote meerwaarde boven het klinische onderzoek van de Universiteit Utrecht. [naam 2] is opgeleid aan de [naam 4], heeft veel ervaring in de omgang met probleemhonden en heeft voor deze rechtbank vaker onderzoek gedaan naar het gedrag van honden. Zij is dus bij uitstek deskundig om advies te geven.

Beoordeling van het beklag en de vordering

De in beslag genomen hond [naam hond 2] is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien het ongecontroleerde bezit van de hond in strijd is met het algemeen belang. In de tussenbeslissing van 17 juni 2025 heeft de rechtbank reeds beslist op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag en de ontvankelijkheid van de onttrekkingsvordering. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op die beslissing.
In de door de Universiteit Utrecht uitgevoerde risicoanalyse van de hond [naam hond 2] is de aanbeveling gedaan om de hond niet te laten terugkeren naar de eigenaar, vanwege een zeer hoog bijtrisico voor mensen (volwassenen en kinderen) en voor (onbekende) honden en andere dieren. De mogelijkheden tot een veilige terugkeer van de hond [naam hond 2] in de maatschappij worden als zeer beperkt ingeschat. Om die reden is euthanasie geadviseerd.
Met betrekking tot de validiteit van het uitgevoerde onderzoek en de betrouwbaarheid van hieruit getrokken conclusies hebben de onderzoekers van de Universiteit Utrecht toegelicht dat de diagnostische meerwaarde van hun onderzoek met name is gelegen in de combinatie van meerdere informatiebronnen en dat de door de deskundige [naam 1] geplaatste kanttekeningen voor een belangrijk deel zien op individuele screeningsinstrumenten, met elk voor zich een beperkte voorspellende waarde bij het detecteren van agressieve honden. De rechtbank ziet ook op basis van deze toelichting geen aanleiding tot twijfel aan de deskundigheid van het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht of aan van de validiteit van het door de deskundigen uitgevoerde onderzoek. De bevindingen bij dit onderzoek zullen daarom door de rechtbank worden meegenomen in haar verdere beoordeling.
Ten aanzien van de door de klager overgelegde gedragsbeoordeling door kynologisch gedragstherapeut [naam 2] overweegt de rechtbank dat er geen stukken ter onderbouwing van de (wetenschappelijke) deskundigheid van deze onderzoeker zijn overgelegd in relatie tot de bij het onderzoek gestelde vraag. Mede in het licht van de door de verdediging opgeworpen kritiekpunten op het onderzoek van de Universiteit Utrecht, merkt de rechtbank daarnaast op dat de rapportage van [naam 2] geen informatie geeft over de wetenschappelijke validiteit van het uitgevoerde praktijkonderzoek voor het voorspellen van agressief gedrag. Daarbij is onduidelijk wat het (mogelijk vertekenende) effect is geweest van de aanwezigheid van de eigenaar bij onderdelen van het onderzoek. De rechtbank beschikt aldus over onvoldoende informatie om de deskundigheid van de onderzoeker en de validiteit van het door haar verrichte onderzoek te kunnen beoordelen. De rechtbank zal deze gedragsbeoordeling daarom niet in haar oordeel betrekken.
De rechtbank heeft in haar tussenbeslissing de onderzoekers van de Universiteit Utrecht uitgenodigd om te reageren op kritiekpunten van de deskundige [naam 1] en om een toelichting te geven op de redenen voor een verschillend advies voor de beide honden. De rechtbank stelt vast dat de onderzoekers Universiteit Utrecht in hun aanvullende rapport op dat laatste punt niet nader zijn ingegaan. De rechtbank signaleert dat op basis van de beschrijvingen in het rapport, de verschillen tussen de gemaakte risicoanalyses voor de hond [naam hond 2] en de hond [naam hond 1] zeer klein lijken. Verder valt op dat in de analyse van de hond [naam hond 2] de onbekendheid met de invloed en competenties van de eigenaar niet is meegenomen, terwijl dit bij de hond [naam hond 1] wel het geval is. In het geval van de hond [naam hond 1] is deze factor mede aanleiding geweest tot het advies om de hond (onder voorwaarden) terug te geven aan de eigenaar.
De verschillende adviezen voor de twee honden is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verklaard. Hoewel niet ter discussie staat dat de beide honden betrokken zijn geweest bij een ernstig bijtincident en dat op basis van de verrichte onderzoeken in beide gevallen ook serieuze risico’s worden gezien voor herhaling, kan zonder nadere uitleg niet worden geconcludeerd dat de hond [naam hond 2] zodanig gevaarlijk is dat euthanasie zonder meer gerechtvaardigd is. De rechtbank is bij deze stand van zaken en gelet op de conclusies met betrekking tot de hond [naam hond 1] van oordeel dat ook voor de hond [naam hond 2] de teruggave aan de eigenaar verantwoord moet worden geacht onder de dezelfde, in de rapportage over [naam hond 1] genoemde voorwaarden.
In de tussenbeslissing heeft de rechtbank opgemerkt dat zij volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wettelijk niet de mogelijkheid heeft om voorwaarden te stellen bij teruggave van de hond - noch in het kader van de vordering tot onttrekking, noch in het kader van het ingediende klaagschrift. Dat betekent dat de ingediende vordering door de rechtbank slechts kan worden toe- of afgewezen. Ook ten aanzien van [naam hond 2] acht de rechtbank bij teruggave van de hond de volgende voorwaarden noodzakelijk:
- aanlijn- en muilkorfgebod indien de hond [naam hond 2] in de openbare ruimte komt;
- de hond [naam hond 2] nimmer onbeheerd in de openbare ruimte achterlaten;
- niet (na)bij kinderen of als kinderen soms op locatie komen;
- niet (na)bij ander(e) dier(en)/hond(en);
- de hond [naam hond 2] alleen uitlaten laten door kundige volwassen persoon, die de hond veilig
over de straat kan begeleiden en die op de hoogte is van de strikt toe te passen voorwaarden;
- ontsnapping uit huis onmogelijk maken door het plaatsen van drangers op de deuren en door sluisconstructies te maken, waarbij nooit twee deuren tegelijk open mogen staan richting naar buiten;
- ontsnapping van erf/uit tuin onmogelijk maken door gesloten hekwerk rondom van minimaal 2-2,5 meter met klimbeveiliging en een poortdeur die op slot kan, indien er een
poortdeur aanwezig is. Deze moet dan tevens zijn voorzien van een dranger of sluis;
- begeleiding door een gediplomeerd gedragstherapeut om de hond [naam hond 2] op veilige manier over straat te kunnen hanteren;
- sterilisatie van de hond [naam hond 2], ter preventie van het doorgeven van mogelijk erfelijke eigenschappen betreffende het risico gevende gedrag van de hond - voor zover sterilisatie nog niet heeft plaatsgevonden.
Omdat de rechtbank deze voorwaarden niet kan verbinden aan haar beslissing, is de
vordering van de officier van justitie in beginsel toewijsbaar. Nu het onderzoek echter
niet uitwijst dat euthanasie van de hond zonder meer noodzakelijk is en de klager eerder ter zitting heeft verklaard de genoemde voorwaarden te zullen naleven, zal de rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer afwijzen. Het verzoek tot opheffing van het beslag wordt toegewezen, nu daarvoor geen strafvorderlijk belang meer bestaat.
Het voorgaande betekent dat de hond [naam hond 2], met de toezeggingen daarbij van de klager,
aan hem zal worden teruggeven. De rechtbank merkt daarbij op dat in het kader van de
openbare orde door de burgemeester eventueel wel maatregelen genomen kunnen worden bij
niet-naleving van de door het onderzoeksteam geadviseerde voorwaarden. De rechtbank
geeft in dat kader de officier van justitie in overweging om deze beschikking ter kennisname
toe te sturen aan de burgemeester van de woongemeente van de klager.

Beslissing

De rechtbank:
T.a.v. raadkamernummers 24-030068 (552a Sv) en 25-004271 (552f Sv) met betrekking, tot de hond [naam hond 2]:
- wijst af de vordering tot onttrekking aan het verkeer ten aanzien van de hond [naam hond 2];
- verklaart het beklag ten aanzien van de hond [naam hond 2] gegrond en gelast teruggave aan de klager.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2025.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.