ECLI:NL:RBROT:2025:14867

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/10/631928 / FA RK 22-243
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling voor minderjarigen bij pleegouders na overlijden van een kind

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Rotterdam, is op 15 december 2025 een beschikking gegeven over de zorgregeling voor twee minderjarigen die bij pleegouders verblijven. De vrouw, de moeder van de minderjarigen, heeft verzocht om een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit verzoek volgde op een tragisch voorval waarbij haar dertienjarige dochter op 19 juli 2025 overleed, vermoedelijk door een overdosis verdovende middelen. De vrouw werd kort daarna aangehouden, maar haar voorlopige hechtenis werd opgeheven. De rechtbank heeft in eerdere beschikkingen al verschillende zorgregelingen vastgesteld, maar na het overlijden van de dochter is het contact tussen de vrouw en de minderjarigen stopgezet. De rechtbank heeft besloten dat de opbouw van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen onder regie van de gecertificeerde instelling (GI) moet plaatsvinden, om de veiligheid van de minderjarigen te waarborgen. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw en de man, de vader van de minderjarigen, beoordeeld en uiteindelijk besloten dat de minderjarigen één weekend in de drie weken bij de vrouw en de man verblijven, met de GI die de regie houdt over de opbouw van het contact. De rechtbank heeft ook de taak van de bijzondere curatoren beëindigd, tenzij er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/631928 / FA RK 22-243
Beschikking van 15 december 2025 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. I.K. Oosterveen te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam.
In deze zaak zijn belanghebbenden:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna: de GI, gevestigd te Amsterdam,
en
familie [familienaam], hierna: de pleegouders,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.
In deze zaak treden als bijzondere curatoren op:
mr. L.A. Middelkoop, advocaat te Rotterdam;
drs. C.M.A.A. Naber - van Halm, kantoorhoudende te Rotterdam,
hierna: de BC’s.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 5 juni 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het bericht met bijlage van de man van 20 juni 2025;
  • het bericht van de vrouw van 14 november 2025;
  • het bericht met bijlage van de pleegouders van 14 november 2025.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
17 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door mr. M.S. Krol, waarnemend voor zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [persoon B] ;
  • de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat;
  • de BC’s.
1.3.
De minderjarigen zijn, ondanks hun jonge leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben te kennen gegeven hier geen gebruik van te maken.

2.De (verdere) vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 april 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw en de man over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen afgewezen. Ook heeft de rechtbank een voorlopige regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vastgesteld. De rechtbank heeft in haar beschikking van 5 juni 2024 beslist over een zorgregeling voor de zomervakantie van 2024. De rechtbank heeft de verzoeken van de man en de vrouw tot vaststelling van een definitieve zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van mediation. De rechtbank verwijst naar wat is opgenomen in de beschikking van 5 juni 2024.
2.2.
Bij afzonderlijke beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van
5 juni 2024 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd tot 18 juli 2025. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 juli 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd tot 18 juli 2026.

3.De beoordeling

3.1.
Zorgregeling
3.1.1.
De vrouw heeft in haar inleidend verzoekschrift primair verzocht vaststelling van een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) inhoudende dat de minderjarigen om de week een weekend bij de man verblijven alsmede de helft van de schoolvakanties en subsidiair een zodanige beslissing als de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de vrouw haar primaire verzoek ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken en verzocht een regeling vast te stellen waarbij wordt toegewerkt naar de weekendregeling zoals voorlopig vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 8 april 2024, te weten de minderjarigen verblijven één weekend per drie weekenden bij de vrouw van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur.
De man brengt naar voren dat dit een wijziging van het verzoek betreft en dat dit in strijd is met de goede procesorde. De vrouw kan haar verzoek volgens de man niet wijzigen omdat zij niet eerder een zelfstandig verzoek voor zichzelf heeft gedaan, het subsidiaire verzoek van de vrouw zag ook op een zorgregeling ten behoeve van de man en de minderjarigen.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek zoals de vrouw dat tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaan, niet in strijd is met de goede procesorde. De vrouw is de procedure met haar inleidend verzoekschrift op 13 januari 2022 gestart. Op grond van artikel 283 Rv in samenhang met artikel 130 Rv is de vrouw bevoegd haar verzoek te veranderen of te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gewezen. Niet gezegd kan worden dat de man door het verzoek van de vrouw is overvallen of anderszins in procesrechtelijke zin is benadeeld en dat hij zich daarop niet heeft kunnen voorbereiden. Het verzoek is gelijk aan de voorlopige regeling zoals vastgesteld bij beschikking van 8 april 2024 en komt in die zin voor de man niet uit de lucht vallen. Het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende bepaald. De rechtbank vindt het voorts in het belang van de minderjarigen dat er een concreet verzoek ligt ten behoeve van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen waarop de rechtbank kan beslissen.
3.1.2.
De man verzoekt  na wijziging en vermindering  een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen ten minste één weekend in de drie weekenden van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur bij de man verblijven en waarbij geldt dat de GI deze regeling, indien mogelijk, zal uitbreiden.
3.1.3.
De voorlopige regeling, vastgelegd in de beschikking van 8 april 2024, werd door alle betrokken partijen uitgevoerd tot afgelopen zomer een verschrikkelijke gebeurtenis plaatsvond. Op 19 juli 2025 is de dertienjarige dochter van de vrouw, [naam dochter] , in de woning van de vrouw overleden. De doodsoorzaak is vermoedelijk een overdosis verdovende middelen geweest. De vrouw werd op 21 juli 2025 aangehouden door de politie, omdat zij verdacht werd van betrokkenheid bij de dood van [naam dochter] . Volgens de vrouw is haar voorlopige hechtenis begin september 2025 opgeheven bij gebrek aan gronden. Zij is nog wel verdachte in de zaak. Toen [naam dochter] overleed, verbleven de minderjarigen bij de vrouw. Onduidelijk is of en wat de minderjarigen van het overlijden van [naam dochter] hebben meegekregen. De minderjarigen hebben door het snelle handelen van alle betrokkenen hulp gekregen bij de verwerking van deze gebeurtenis. Sinds het overlijden van [naam dochter] hebben de minderjarigen geen contact meer gehad met de vrouw. De jeugdbeschermer denkt na over mogelijkheden om het contact te herstellen. Daarbij is onder meer het advies van de speltherapeut van de minderjarigen van belang.
3.1.4.
De minderjarigen doen het goed bij hun pleegouders. De pleegouders zijn van mening dat de minderjarigen contact moeten hebben met hun beide ouders, maar dat dit wel veilig moet zijn. De pleegouders voelen zich verantwoordelijk voor de veiligheid van de minderjarigen, ook als zij de minderjarigen aan de vrouw meegeven. Het overlijden van de minderjarige dochter van de vrouw was voor de pleegouders aanleiding om het contact tijdelijk stop te zetten.
3.1.5.
De man vindt dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen alleen onder bepaalde voorwaarden mogelijk is. De man vindt dat de vrouw eerst aantoonbaar moet laten zien dat zij het beste voorheeft met de minderjarigen. De man bepleit daarom afwijzing van het verzoek van de vrouw. Op dit moment heeft de GI de regie en uit de systematiek van de wet vloeit voldoende rechtsbescherming voor de vrouw voort, aldus de man.
3.1.6.
De vrouw zit nog steeds vol verdriet over het overlijden van [naam dochter] . Zij erkent dat zij hulp nodig heeft bij het contactherstel tussen haar en de minderjarigen. Zij vindt het belangrijk dat het contactherstel zorgvuldig gebeurt en heeft duidelijk aangegeven dat het belang en welbevinden van de minderjarigen daarbij leidend is. Zij hoopt wel dat de GI in de komende tijd daadwerkelijk stappen zet op de weg naar contactherstel. Om die reden wil zij graag dat de rechtbank de definitieve beslissing over de zorgregeling aanhoudt om een vinger aan de pols te houden. Vanwege het overlijden van [naam dochter] is het voor de vrouw niet mogelijk specifiek aan te geven in welke mate omgang in het belang van de minderjarigen is, maar voor de vrouw is één weekend in de drie weekenden wel de stip op de horizon waarnaar zij het liefst terug wil.
3.1.7.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen.
3.1.8.
De rechtbank beslist eerst dat zij de verzoeken van de vrouw en de man niet zal aanhouden, maar een eindbeschikking zal geven. De vrouw heeft om aanhouding verzocht om vinger aan de pols te houden, omdat zij zich in een afhankelijke positie bevindt. Ook de raad adviseert aanhouding, in afwachting van het verloop van de speltherapie. De rechtbank neemt toch een eindbeslissing, omdat deze procedure al bijna vier jaar loopt en belastend is voor alle betrokken partijen. Het wordt daarom tijd om deze procedure af te sluiten. Dat betekent overigens niet dat de rechtbank uit beeld verdwijnt. De kinderrechter kan in het kader van de ondertoezichtstelling zicht houden op de uitvoering van de zorgregeling.
3.1.9.
De rechtbank zal het gewijzigde verzoek van de vrouw toewijzen en beslissen dat het herstel en de opbouw van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen moet plaatsvinden onder regie van de GI. Dit doet recht aan het advies van de raad en de BC’s
dat contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen uitgangspunt moet zijn, maar ook aan de zorgen van de pleegouders en de man over de veiligheid van de minderjarigen bij de vrouw. Tegelijkertijd weet de vrouw waar, indien mogelijk, naartoe wordt gewerkt.
De rechtbank vindt het in het belang van de minderjarigen dat de regie over de opbouwregeling bij de GGI wordt gelegd om te voorkomen dat een door de rechtbank vastgestelde opbouwregeling te snel gaat. Het startmoment, de vorm en het tempo van de opbouw worden immers gedicteerd door wat de minderjarigen aankunnen. De GI is bij uitstek geschikt om dit, met inachtneming van het advies van de betrokken hulpverlening, te bepalen.
3.1.10.
De vrouw en de pleegouders hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om een regeling vast te leggen waarbij de minderjarigen één weekend in de drie weekenden bij hem zullen verblijven. Net als de raad vindt de rechtbank die regeling ook in het belang van de minderjarigen. De rechtbank wijst dit deel van het verzoek dan ook toe. Het verzoek om de regeling uit te breiden onder regie van de GI zal de rechtbank afwijzen. De GI ziet op dit moment geen mogelijkheden voor uitbreiding van de regeling en de rechtbank ziet net als de raad geen reden om daaraan te twijfelen.
3.1.11.
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling zijn de vakanties niet ter sprake gekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat alle betrokken partijen dit in onderling overleg en onder regie van de GI kunnen regelen, net als afgelopen jaar.
3.1.12.
De rechtbank geeft partijen tot slot mee dat het in het belang van de minderjarigen is om met alle belangrijke volwassenen in hun leven contact te hebben voor zover dat mogelijk is, maar ook dat hun eigen vertrouwde leven zoveel mogelijk doorloopt, ook als zij bij één van hun ouders zijn. Hun eigen leven, waaronder bijvoorbeeld scouting maar ook verjaardagspartijtjes van andere kinderen, hebben in beginsel voorrang. Dat betekent dat de ouder waar de minderjarigen op dat moment zijn, het programma daarom heen moet invullen.
3.2.
Beëindiging taak BC’s
3.2.1.
Mede gelet op de beslissing van 5 juni 2024, waarbij de benoeming van de BC’s is verlengd tot er een eindbeslissing is gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de taak van de BC’s, onder dankzegging, in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de BC’s. De rechtbank zal op die manier beslissen.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat wordt toegewerkt naar een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de minderjarigen één weekend in de drie weekenden van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur bij de vrouw verblijven, waarbij geldt dat de GI de regie heeft ten aanzien van het startmoment, de vorm en het tempo van de opbouwregeling;
4.2.
bepaalt dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken één weekend in de drie weekenden van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur bij de man verblijven;
4.3.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curatoren voor deze procedure met ingang van de datum beschikking als beëindigd;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, voorzitter en (kinder)rechter, mr. M.B. van den Enden, mr. S.L. Raphael, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 15 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.