ECLI:NL:RBROT:2025:14852

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/10/707539 / JE RK 25-2009 en C/10/707550 / JE RK 25-2010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

Op 24 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaken van de minderjarigen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2], die onder toezicht zijn gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen verlengd tot 7 december 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 7 januari 2026. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder van de minderjarigen, die onder behandeling is bij Antes, grote stappen vooruit heeft gezet in haar behandeling en dat zij in staat is om de zorg voor haar kinderen weer op zich te nemen. De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat de GI onvoldoende actie heeft ondernomen om een thuisplaatsing te realiseren en dat er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen drie maanden in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/707539 / JE RK 25-2009 en C/10/707550 / JE RK 25-2010
Datum uitspraak: 24 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
in de zaak ingeschreven onder zaaknummer C/10/707539
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans uit Rotterdam,
[naam vader 1],
hierna te noemen de vader van [voornaam minderjarige 2] , wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren uit Gilze,
in de zaak ingeschreven onder zaaknummer C/10/707550
de moeder,
[naam vader 2] ,
hierna te noemen de vader van [voornaam minderjarige 1] , wonende in [woonplaats 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI over [voornaam minderjarige 2] met bijlagen, ingeschreven onder zaaknummer C/10/707539, ontvangen op 30 september 2025;
  • het verzoekschrift van de GI over [voornaam minderjarige 1] met bijlagen, ingeschreven onder zaaknummer C/10/707550, ontvangen op 30 september 2025;
  • de brief van de GI van 9 oktober 2025;
  • de brief van mr. Hopmans van 17 november 2025 met (nagezonden) bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de vader van [voornaam minderjarige 2] ;
  • de vader van [voornaam minderjarige 1] ;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De rechtbank heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [persoon B] en [persoon C] , behandelaren van de moeder vanuit Antes.
1.4.
De rechtbank heeft [voornaam minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [voornaam minderjarige 2] is, vanwege zijn jonge leeftijd, niet om zijn mening gevraagd.

2.De feiten

2.1.
De vader van [voornaam minderjarige 2] en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
De vader van [voornaam minderjarige 1] en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] .
2.3.
Op 7 december 2021 zijn [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 7 december 2025.
2.4.
Op 22 juni 2023 zijn [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] met spoed uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is daarna steeds verlengd en geldt nu tot 7 december 2025.
2.5.
[voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] verblijven in een gezinshuis.

3.De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/707539
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek met zaaknummer C/10/707550
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De GI heeft beide verzoeken ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. De op 30 september 2025 ingediende verzoeken tot verlenging van de uithuisplaatsing zijn mede ingediend omdat er nog onvoldoende zicht was op het verloop van de behandeling van de moeder bij Antes. Uit het verslag van Antes van 5 november 2025 blijkt dat de moeder hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat het goed met haar gaat. In tegenstelling tot eerdere berichtgeving van de GI, heeft de behandeling bij Antes altijd doorgang gevonden vanaf september 2024. De vraag is of het resultaat van de behandeling tot nu toe voldoende is voor een thuisplaatsing van de jongens bij de moeder. Er is op 16 oktober 2025 een gesprek met de moeder geweest over de eventuele inzet van een gezinsopname, maar de GI heeft daarna verder geen actie meer ondernomen. De GI wil het komende half jaar benutten om de laatste praktische zaken te regelen voor een thuisplaatsing, waaronder de inzet van ambulante hulpverlening. Op dit moment is er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. Daar is ook nog geen zicht op.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met verlenging van de ondertoezichtstelling en is verweer gevoerd tegen een verlenging van de uithuisplaatsing. Samengevat is het volgende naar voren gebracht. Sinds de vorige zitting is er aan de kant van de GI niets gedaan. Bekeken zou worden hoe een thuisplaatsing gerealiseerd en ingevuld zou kunnen worden, maar dit is niet gebeurd. De moeder is nog steeds onder behandeling bij Antes en heeft grote stappen vooruit gezet. Antes bevestigt dat het erg goed gaat met de moeder en dat zij al langere tijd stabiel is. Alle lichten voor een thuisplaatsing staan dus op groen. [voornaam minderjarige 2] kan terug naar zijn oude school en voor [voornaam minderjarige 1] is al een nieuwe school gevonden. Zij kunnen dan na de kerstvakantie de overstap maken. Het contact van de kinderen met hun vaders verloopt eveneens goed. De behandeling van de moeder zal ook bij een thuisplaatsing gewoon doorgaan en de moeder staat daarnaast open voor opvoedondersteuning. Een gezinsopname is inmiddels een gepasseerd station. Dit had in een eerder stadium ingezet moeten worden. Het is niet in het belang van de kinderen om weer overgeplaatst te worden naar een voor hen onbekende plek.
4.2.
Namens de vader van [voornaam minderjarige 2] is ter zitting aangegeven dat het goed gaat met [voornaam minderjarige 2] , die om het weekend bij hem verblijft. Het contact met de moeder verloopt ook goed. De vader van [voornaam minderjarige 2] heeft geen bezwaar tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar vindt dat het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing moet worden afgewezen. De kinderen mogen niet de dupe worden van gebrekkig handelen van de GI. De vader van [voornaam minderjarige 2] ziet geen enkel bezwaar tegen terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Dit zou in de komende kerstvakantie al kunnen.
4.3.
De vader van [voornaam minderjarige 1] heeft ter zitting aangegeven dat hij zich aansluit bij het verweer van de moeder. De omgang met [voornaam minderjarige 1] , die om het weekend bij hem verblijft, verloopt perfect en de communicatie met de moeder verloopt ook prima.

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
5.1.
De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling genoemd in artikel 1:255 BW. Omdat geen verweer is gevoerd tegen verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] , zal deze als onweersproken worden verlengd voor de duur van een jaar.
De uithuisplaatsing
5.2.
De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden verlengd met een maand, dus tot 7 januari 2026. Het resterende deel van de verzoeken zal worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.3.
De nu 7-jarige [voornaam minderjarige 2] en 14-jarige [voornaam minderjarige 1] zijn in juni 2023 met spoed uit huis geplaatst vanwege een zorgelijke, onvoorspelbare en instabiele opvoedsituatie bij de moeder, bij wie sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis en trauma. Nadien is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen meermaals verlengd, onder meer omdat de GGZ-behandeling van de moeder nog niet van de grond was gekomen of niet ver genoeg was gevorderd.
5.4.
Uit de door de advocaat van de moeder overgelegde brief van Antes van 5 november 2025 volgt dat de moeder sinds september 2024 in behandeling is bij het GGZ team van Antes en dat zij hier veel baat bij heeft. Zij is gemotiveerd voor de behandeling en heeft grote stappen vooruit gezet. De moeder kan beter omgaan met haar emoties en trauma’s en heeft de regie van haar leven meer in eigen handen. De moeder is bovendien gemotiveerd om deze behandeling, ook na een thuisplaatsing van de kinderen, voort te zetten. De moeder staat in goed contact met haar behandelaren. Ook heeft zij goed contact met de vaders van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , die allebei om het weekend de zorg voor hun zoon dragen. Deze weekenden verlopen goed. Dat geldt ook voor de weekenden waarin [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de moeder verblijven.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de moeder weer in staat moet worden geacht om de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] weer op zich te nemen. Daarbij weegt ook mee dat de moeder openstaat voor hulpverlening (opvoedondersteuning) in de thuissituatie.
5.6.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de kerstvakantie een logisch moment is voor een thuisplaatsing, aangezien [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] daarna op hun nieuwe scholen kunnen starten en zij hierdoor ook in alle rust afscheid kunnen nemen van het gezinshuis waar zij sinds augustus 2023 verblijven en de scholen waarop zij nu zitten. Het is daarom in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] om de machtiging tot uithuisplaatsing nog te verlengen met een maand.
5.7.
De rechtbank betreurt dat de GI het afgelopen half jaar nauwelijks actief is geweest bij de ondersteuning van dit gezin. Er is door de GI geen concreet plan gemaakt voor een thuisplaatsing van de kinderen. Er is ook nauwelijks contact geweest tussen de GI en Antes om zicht te krijgen op de voortgang van de behandeling van de moeder. Er is al geruime tijd geen vaste jeugdbeschermer meer bij het gezin betrokken en er is ook geen zicht op dat dit in de nabije toekomst zal veranderen.
5.8.
De rechtbank vertrouwt erop dat dat de GI actief aan de gang gaat met het inzetten van ambulante hulpverlening/opvoedondersteuning in de thuissituatie bij de moeder. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor een zorgvuldige overgang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] vanuit het gezinshuis naar de moeder. De kinderen verblijven immers al meer dan twee jaar in het gezinshuis en zijn daar gehecht geraakt.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
5.9.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] tot 7 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het resterende deel van de verzoeken af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 door mr. W.J. Loorbach, mr. A. Verweij en mr. drs. H. Biemond, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 5 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.