ECLI:NL:RBROT:2025:14842

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11915599 VV EXPL 25-601
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over taxatierapport en dwangsommen in kort geding

In deze zaak, die zich afspeelt in de Rechtbank Rotterdam, betreft het een kort geding tussen [persoon A], handelend onder de naam [makelaarskantoor A], en [persoon B]. De procedure is gestart naar aanleiding van een geschil over een taxatierapport dat [makelaarskantoor A] zou moeten afgeven aan [persoon B]. De zaak is gecompliceerd door een eerder verstekvonnis dat is gewezen in een gewone procedure, waarin [persoon B] gelijk heeft gekregen en [makelaarskantoor A] is veroordeeld tot het afgeven van het taxatierapport en het betalen van dwangsommen bij niet-nakoming. [makelaarskantoor A] heeft in dit kort geding verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, in afwachting van de uitkomst van de verzetprocedure die tegen het verstekvonnis is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen van [makelaarskantoor A] niet toewijsbaar zijn, omdat de argumenten voor schorsing van de tenuitvoerlegging niet overtuigend zijn. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de belangenafweging in het voordeel van [persoon B] uitvalt, en dat er geen sprake is van onherstelbare schade voor [makelaarskantoor A]. Daarnaast heeft de kantonrechter de vordering van [persoon B] tot betaling van dwangsommen afgewezen, omdat hij geen belang heeft bij deze vordering. De proceskosten zijn voor beide partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11915599 VV EXPL 25-601
datum uitspraak: 17 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A] h.o.d.n. [makelaarskantoor A],
zaakdoende in [plaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. J.B. Kloosterman,
tegen
[persoon B],
volgens de dagvaarding wonende op een geheim adres in de gemeente [gemeente] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: [persoon C] .
De partijen worden hierna ‘ [makelaarskantoor A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de mail van 3 november 2025 van de gemachtigde van [persoon B] , met bijlage;
  • het proces-verbaal van de zitting van 5 november 2025 en de daarin genoemde stukken die tijdens de zitting zijn overgelegd.
1.2.
De partijen hebben tijdens de zitting afspraken gemaakt om het geschil onderling op te lossen. Die afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal. Na de zitting hebben de gemachtigden van de partijen aan de kantonrechter meegedeeld wat de uitkomst van de afspraken is. Dat hebben zij gedaan in hun mails van 25 november 2025 en 3 december 2025. Het komt erop neer dat de afspraken niet hebben geleid tot een onderlinge oplossing en beëindiging van deze procedure. De kantonrechter wijst daarom vonnis.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[persoon B] heeft [makelaarskantoor A] gevraagd een woning te taxeren. [makelaarskantoor A] heeft de woning onderzocht. Over het afgeven van het taxatierapport is een geschil ontstaan. Dat heeft geleid tot twee procedures. In het kort geding heeft [persoon B] ongelijk gekregen: daarin is geoordeeld dat [makelaarskantoor A] geen taxatierapport hoeft af te geven, omdat hij de opdracht heeft beëindigd. In de gewone procedure is [makelaarskantoor A] niet verschenen. Daarom is in de gewone procedure een verstekvonnis gewezen waarin [persoon B] gelijk heeft gekregen. In het verstekvonnis is bepaald dat [makelaarskantoor A] de opdracht moet nakomen en het taxatierapport aan [persoon B] moet afgeven en dat [makelaarskantoor A] dwangsommen moet betalen als hij dat niet doet. [makelaarskantoor A] is het niet eens met het verstekvonnis en is ertegen in verzet gekomen, waardoor de gewone procedure is heropend. Die (verzet)procedure is nog bezig. [makelaarskantoor A] wil dat in afwachting van de uitkomst van de verzetprocedure het verstekvonnis niet ten uitvoer mag worden gelegd. Hij vordert daarom in dit kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en een verbod voor [persoon B] om het verstekvonnis ten uitvoer te leggen totdat een vonnis is gewezen in de verzetprocedure. [persoon B] is het daar niet mee eens. Hij vindt bovendien dat [makelaarskantoor A] de dwangsommen moet betalen en vordert dat ook. De kantonrechter geeft beide partijen ongelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is van de procedure.
Het procesdossier en de vorderingen
2.2.
Voordat inhoudelijk op de vorderingen wordt ingegaan, moet aandacht worden besteed aan de inhoud van het procesdossier en de vorderingen waarop moet worden beslist.
2.3.
Een deel van de correspondentie die is ontvangen na de zitting maakt geen deel uit van het procesdossier. Na de zitting is een aantal mails (van 5 en 25 november en 3 december 2025) van de gemachtigde van [persoon B] ontvangen en is een mail van 3 december 2025 van de gemachtigde van [makelaarskantoor A] ontvangen. De inhoud van deze mails en de meegezonden bijlagen wordt slechts bij de beoordeling betrokken voor zover het betreft 1) de mededeling dat de afspraken zoals vastgelegd in het proces-verbaal naar de mening van de partijen niet hebben geleid tot een taxatierapport dat aan de wettelijke eisen voldoet en dat door de aangezochte taxateur is meegetekend en 2) de redenen waarom een dergelijk taxatierapport niet is afgegeven. Dat was immers het enige dat van de partijen werd verlangd. Voor het overige wordt de inhoud van de mails en de meegezonden bijlagen buiten beschouwing gelaten.
2.4.
Het verzoek van [persoon B] tot afgifte van gegevens zoals bedoeld in artikel 194 Rv wordt niet beoordeeld. [persoon B] heeft dat verzoek ingesteld, maar later ook weer ingetrokken.
Het toetsingskader
2.5.
Het verstekvonnis van 6 augustus 2025 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder motivering. Dat is van belang voor het bepalen van het toepasselijke toetsingskader. Uit rechtspraak van de Hoge Raad [1] volgt dat in een executiegeschil zoals deze het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn hangende een daartegen ingesteld rechtsmiddel (hier: verzet). Afwijking van dit uitgangspunt kan gerechtvaardigd zijn door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde (hier: [makelaarskantoor A] ) bij het behouden van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen (hier: [persoon B] ) bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de beslissingen in uitspraak die ten uitvoer moet worden gelegd en van de vastgestelde feiten en oordelen waarop die uitspraak is gebaseerd. De kans van slagen van het ingestelde rechtsmiddel moet buiten beschouwing blijven. Wel kan de kantonrechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke (feitelijk of juridische) misslag.
Geen schorsing van en/of verbod op tenuitvoerlegging van het verstekvonnis
2.6.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [makelaarskantoor A] af. Zijn argumenten voor het schorsen van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis treffen geen doel.
2.6.1.
De argumenten van [makelaarskantoor A] komen er in de kern op neer dat het onmogelijk is om aan de veroordeling in het verstekvonnis te voldoen, omdat [makelaarskantoor A] door het afgeven van het taxatierapport aan [persoon B] in strijd met zijn gedrags- en beroepsregels zal handelen, wat tot onherstelbare schade voor hem als makelaar zal leiden. Hij vindt daarom dat zijn belang bij het niet afgeven van het taxatierapport zwaarder weegt dan het belang van [persoon B] bij het verkrijgen van het rapport van hem. Volgens [makelaarskantoor A] kan [persoon B] eenvoudig een andere taxateur inschakelen.
[makelaarskantoor A] miskent in zijn argumentatie dat tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet noodzakelijkerwijs leidt tot feitelijke afgifte van een taxatierapport en dus ook niet noodzakelijkerwijs tot onherstelbare schade (als de stelling van [makelaarskantoor A] over schade al kan worden gevolgd; die wordt namelijk betwist door [persoon B] ). Tenuitvoerlegging van het verstekvonnis kan namelijk feitelijk niet plaatsvinden door reële executie, maar alleen door het opeisen van de in het verstekvonnis vastgestelde dwangsommen, die dienen als prikkel tot nakoming van de veroordeling tot nakoming van de opdracht. [makelaarskantoor A] heeft niet aangevoerd dat het betalen van dwangsommen als zodanig voor hem onmogelijk of zeer bezwaarlijk zou zijn. Het gestelde belang van [makelaarskantoor A] kan bij deze stand van zaken niet leiden tot afwijking van het uitgangspunt dat het verstekvonnis ten uitvoer kan worden gelegd hangende de verzetprocedure.
2.6.2.
De door [makelaarskantoor A] aangevoerde omstandigheden met de gevoerde en nog lopende procedure(s) treffen ook geen doel. In het door [persoon B] gestarte kort geding heeft [makelaarskantoor A] verweer gevoerd en is geoordeeld dat [makelaarskantoor A] het taxatierapport niet hoeft af te geven omdat hij de opdracht heeft beëindigd. Het vonnis in kort geding is gewezen op 28 juli 2025. In de door [persoon B] (vrijwel) gelijktijdig gestarte gewone procedure is [makelaarskantoor A] niet verschenen, waardoor hij op 6 augustus 2025 bij verstek is veroordeeld om de opdracht na te komen en het taxatierapport af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dat in kort geding anders (en in het voordeel van [makelaarskantoor A] ) is geoordeeld en dat er tegen het verstekvonnis verzet is ingesteld en dat die procedure nog bezig is, maakt op zichzelf niet dat sprake is van misbruik van executiebevoegdheid (artikel 3:13 BW) als het verstekvonnis ten uitvoer wordt gelegd. De rechter in de gewone procedure hoeft zich niet te richten naar het voorlopige oordeel van de rechter in kort geding (artikel 257 Rv) en het ingestelde verzet heeft geen schorsende werking omdat het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (artikel 145 jo 233 Rv). Zoals hiervoor al overwogen is het uitgangspunt dan dat het verstekvonnis ten uitvoer mag worden gelegd en de gestelde belangen van [makelaarskantoor A] nopen niet tot afwijking van dat uitgangspunt. Dat sprake zou zijn van een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag in het verstekvonnis is niet gesteld en is daarom niet betrokken in de beoordeling.
2.7.
Op het overige dat de partijen hebben aangevoerd wordt niet ingegaan, omdat het niet tot een andere uitkomst van de procedure kan leiden.
Geen veroordeling tot betaling van dwangsommen
2.8.
De vordering van [persoon B] om [makelaarskantoor A] te veroordelen aan hem € 20.000,00 aan verbeurde dwangsommen te betalen (eis in reconventie) wordt afgewezen. [persoon B] heeft bij die vordering geen belang en zonder voldoende belang komt aan niemand een rechtsvordering toe (artikel 3:303 BW). [persoon B] heeft geen belang bij de vordering, want hij heeft met het verstekvonnis van 6 augustus 2025 een executoriale titel om de daarin vastgestelde dwangsom ten uitvoer te leggen (artikel 611c Rv). Een belang bij het verkrijgen van een extra titel is niet gesteld of gebleken.
Proceskosten
2.9.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen in conventie en in reconventie de eigen proceskosten dragen, omdat conventie en reconventie sterk met elkaar verweven zijn en partijen over en weer ongelijk krijgen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [makelaarskantoor A] af;
3.2.
wijst de vorderingen van [persoon B] af;
3.3.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
34286

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.