ECLI:NL:RBROT:2025:14833

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
10-221367-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot doodslag met vuurwapen in Rotterdam

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 6 augustus 2025, waarbij de verdachte met een vuurwapen het slachtoffer in de borst heeft geschoten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk handelde, ondanks zijn verweer dat het wapen per ongeluk was afgegaan. De rechtbank oordeelde dat het schieten op korte afstand, gericht op de borst van het slachtoffer, duidt op een bewuste intentie om te doden. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest, en de rechtbank heeft ook een verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen uitgesproken. Daarnaast werd een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gedaan, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot het betalen van €10.228,- aan schadevergoeding, inclusief wettelijke rente. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer zwaar laten meewegen in de strafmaat.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10-221367-25
Datum uitspraak: 12 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1990,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,
raadsman mr. O.C. Bondam, advocaat te Voorschoten.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair) en poging zware mishandeling (meer subsidiair). De verdachte had geen opzet op het schieten en het doden of verwonden van de aangever [naam slachtoffer] (hierna: de aangever). Het wapen is per ongeluk is afgegaan. De vinger van de verdachte zat niet op de trekker. Hij heeft de trekker nooit overgehaald. Het is niet onmogelijk dat, toen de verdachte het wapen uit zijn tas pakte, de trekker bij de voorwaartse beweging van het wapen, achter een object in het tasje is blijven haken en het wapen daardoor is afgegaan. Het DNA van de verdachte is enkel aangetroffen op de slede van het wapen, wat doet vermoeden dat hij het wapen alleen aan de bovenkant heeft aangeraakt. Ook is het mogelijk dat de verdachte – onder de stress van de door hem ervaren bedreiging van de aangever – het wapen op een onhandige manier heeft beetgepakt waardoor zijn vinger per ongeluk de trekker heeft overgehaald.
4.1.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt dat kan worden bewezen dat de verdachte met volle opzet een vuurwapen heeft afgevuurd op de aangever. De enige manier waarop de hamer naar voren slaat tegen de slagpin en de kogel wordt afgevuurd is door het met kracht met de vinger overhalen van de trekker. Het deskundigenonderzoek naar het wapen wijst dit uit. Het scenario van de verdachte dat het wapen is afgegaan toen het uit het tasje werd gehaald zonder dat hij zijn vinger aan de trekker had, is volgens de deskundige uitgesloten of in ieder geval hoogst onwaarschijnlijk. De verdachte heeft van korte afstand het bovenlichaam van de aangever geraakt. Dat is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen dat is gericht op het iemand om het leven brengen.
4.1.3.
Beoordeling
De rechtbank gaat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 6 augustus 2025 waren de verdachte en de aangever op het Schouwburgplein in Rotterdam, waar ook andere mensen aanwezig waren. De verdachte had een vuurwapen bij zich in zijn tasje. De verdachte en de aangever stonden op korte afstand van elkaar toen de verdachte het vuurwapen uit zijn tasje pakte en het wapen afging en het slachtoffer werd geraakt door een kogel uit het wapen. Deze kogel raakte de aangever links onder in zijn borstkas. De aangever liep daardoor onder meer een gedeeltelijke klaplong op en een bloeding bij de linker leverkwab.
Dat de verdachte met opzet de trekker van het pistool heeft overgehaald en op het slachtoffer heeft gevuurd, acht de rechtbank bewezen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdachte dat het wapen per ongeluk is afgegaan toen hij het uit zijn tasje pakte. Deze lezing vindt geen steun in het dossier. De deskundige heeft uitgesloten dat het wapen kan zijn afgegaan zonder dat de trekker met de vinger is overgehaald. De trekker kan niet door een object in het tasje zijn overgehaald, want - zoals de deskundige ook heeft uitgelegd op de zitting – wanneer de trekker haakte achter een object, zou er sprake zijn van een kracht in de verkeerde richting van de trekker die het vuurwapen juist niet af laat gaan. Ook overigens had de trekker een relatief hoge trekkerdruk, wat dat geschetste scenario onwaarschijnlijk maakt. Dat het DNA van de verdachte alleen op de bovenzijde van het wapen is aangetroffen maakt dit niet anders omdat, zoals hiervoor is overwogen, de trekker moet overgehaald moet zijn.
Het kan, ook gelet ook op de eigen verklaring van de verdachte, niet anders zijn dan dat het vuurwapen in de tas van de verdachte doorgeladen was, de haan gespannen en de veiligheidspal op F (Fire) stond, en daarmee gereed was om mee te schieten. Er is ook niets in het dossier wat dit weerspreekt. Dat de verdachte naar eigen verklaring dit niet zou hebben geweten omdat hij het vuurwapen pas kort daarvoor had gekregen, acht de rechtbank ongeloofwaardig nu die verklaring geen enkele steun vindt in het strafdossier. Daar komt bij dat bij de verdachte thuis ook munitie is aangetroffen die geschikt is voor het gebruikte vuurwapen, wat dit scenario nog verder ontkracht. De verdachte pakte dus een schietklaar vuurwapen uit zijn tas en richtte het op het slachtoffer. Het door de verdediging gestelde scenario dat de verdachte de trekker per ongeluk zou hebben overgehaald heeft de verdachte zelf nooit verklaard en volgt ook niet anderszins uit het strafdossier.
De rechtbank acht daarom bewezen dat het schot is afgegaan doordat de verdachte de trekker met zijn vinger heeft bediend en dat hij dit ook bewust deed. Er is dus sprake van opzet op het schieten.
De rechtbank acht verder bewezen dat de verdachte opzet op de dood van de aangever heeft gehad. Het met een vuurwapen op een korte afstand van ongeveer 50 centimeter schieten op de borst van de aangever is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd als een bewust handelen gericht op het om het leven brengen van iemand.
4.1.4.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde poging tot doorslag wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op
of omstreeks6 augustus 2025 te Rotterdam
, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met een vuurwapen op
, althans in de richting vandie [naam slachtoffer] heeft geschoten en
/ofdie [naam slachtoffer] daarbij in de borst
, althans het (boven)lichaamheeft geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het primair bewezen feit levert op:
poging tot doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer met een vuurwapen van dichtbij in zijn borst te schieten. Door zijn handelen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft daardoor lichamelijke en geestelijke schade geleden. De verdachte heeft het slachtoffer achtergelaten zonder te kijken of en wat voor letsel het slachtoffer had opgelopen. Het slachtoffer verloor door het schot veel bloed en dat hij nog leeft is te danken aan snel en adequaat handelen van één van de omstanders voordat de hulpdiensten ter plaatse waren. De aangever is met spoed geopereerd, heeft één nacht op de intensive care verbleven en heeft in totaal vijf dagen in het ziekenhuis gelegen.
Verder veroorzaakt een dergelijk incident gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel, in het bijzonder bij hen die getuige waren van het voorval. Het vond plaats buiten op straat, waar op dat moment meerdere voorbijgangers aanwezig waren.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
21 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage
Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
6 november 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte geen behoefte heeft aan begeleiding door de reclassering. Omdat de reclassering slechts kort met de verdachte heeft gesproken, kon zij geen inschatting van het risico op recidive en letsel maken. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht risico’s beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Enkel een gevangenisstraf voor langere duur is passend bij een dusdanig feit. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat de verdachte in de openbare ruimte een doorgeladen vuurwapen bij zich had, dat hij ook heeft gebruikt, en dat hij zich uit de voeten heeft gemaakt zonder zich te bekommeren om het neergeschoten en hevig bloedende slachtoffer.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf, waaronder de verbeurdverklaring, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8.In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank beslist als ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen volgens de beslaglijst van 7 november 2025.
De rechtbank zal
verbeurd verklaren:
- een wapen, [beslagnummer 1] , zwart, merk Zoraki 906,
voorwerpnummer [voorwerpnummer 1] , volgnummer 2 op de beslaglijst;
  • een stuk munitie, [beslagnummer 2] , goudkleurig, voorwerpnummer [voorwerpnummer 2] , volgnummer 3;
  • twee stuks munitie, [beslagnummer 3] , goudkleurig, voorwerpnummer [voorwerpnummer 3] , volgnummer 4,
omdat het bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan.
De rechtbank zal verder verklaren dat zal worden
onttrokken aan het verkeer:
- een mes, [beslagnummer 1] , voorwerpnummer [voorwerpnummer 1] ,
volgnummer 1;
  • 50 stuks verdovende middelen, [beslagnummer 4] , voorwerpnummer [voorwerpnummer 4] , volgnummer 5;
  • 16 stuks munitie, [beslagnummer 5] , voorwerpnummer [voorwerpnummer 5] , volgnummer 6;
  • drie stuks verdovende middelen, [beslagnummer 6] , een kleine hoeveelheid wiet en hasjiesj, voorwerpnummer [voorwerpnummer 6] , volgnummer 7,
omdat het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

9.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich [naam slachtoffer] in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. Hij heeft zich bij laten staan door mr. T.S.G. Joemman, advocaat te Rotterdam. Ter zitting heeft de benadeelde partij de vordering verminderd met € 385,- voor het eigen risico van de zorgverzekering omdat het eigen risico eerder dat jaar verbruikt. Hij vordert uiteindelijk een vergoeding van € 613,- aan materiële schade en een vergoeding van € 45.000,- aan immateriële schade.
De officier van justitie stelt dat de vordering goed onderbouwd en toewijsbaar is.
De verdediging voert aan dat de door de benadeelde partij gestelde posttraumatische stressstoornis (PTSS) en ernstige psychologische impact niet is onderbouwd.
9.1.
Beoordeling
9.1.1.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 228,- aan daggeldvergoeding voor zes dagen opname in het ziekenhuis. De benadeelde partij heeft de vordering voldoende onderbouwd en de verdachte heeft de vordering ook niet betwist. Dat deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.
9.1.2.
Immateriële schade
Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank sluit voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit aan bij de Rotterdamse Schaal. In deze schaal is een categorisering gemaakt per normschending. Dat de benadeelde partij als gevolg van dit feit enige psychische schade heeft ondervonden acht de rechtbank aannemelijk. De volle omvang daarvan kan echter niet worden vastgesteld op basis van de stukken. De stukken bevatten enkel een doorverwijzing naar de POH-GGZ voor psychische klachten. Dat er sprake is van PTSS is daarom niet voldoende onderbouwd. Echter, de aard en ernst van de normschending brengen wel mee dat aangenomen kan worden dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast en enig psychisch nadeel daarvan heeft ondervonden. Wat betreft de vergoeding van immateriële schade voor het lichamelijk letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen, sluit de rechtbank verder aan bij categorie d ‘minder ernstig borstletsel’, zoals genoemd voor inwendig letsel onder 4. De totale immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 10.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
9.1.3.
Wettelijke rente en kosten
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025
Nu de vordering van de benadeelde partij in ieder geval gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
9.2.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 10.228,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor het overige deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het feit:
  • een wapen, [beslagnummer 1] , zwart, merk Zoraki 906, voorwerpnummer [voorwerpnummer 1] , volgnummer 2 op de beslaglijst;
  • een stuk munitie , [voorwerpnummer 1] , goudkleurig, voorwerpnummer [voorwerpnummer 2] , volgnummer 3 op de beslaglijst;
  • twee stuks munitie , [beslagnummer 3] , goudkleurig, voorwerpnummer [voorwerpnummer 3] , volgnummer 4 op de beslaglijst;
verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • een mes, [beslagnummer 1] , voorwerpnummer [voorwerpnummer 1] , volgnummer 1 op de beslaglijst;
  • 50 stuks verdovende middelen, [beslagnummer 4] , voorwerpnummer [voorwerpnummer 4] , volgnummer 5 op de beslaglijst;
  • 16 stuks munitie , [beslagnummer 5] , voorwerpnummer [voorwerpnummer 5] , volgnummer 6 op de beslaglijst;
  • drie stuks verdovende middelen, [beslagnummer 6] , een kleine hoeveelheid wiet en hasjiesj, voorwerpnummer [voorwerpnummer 6] , volgnummer 7 op de beslaglijst,
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de
benadeelde partij [naam slachtoffer], te betalen een bedrag van
€ 10.228,- (zegge: tienduizend tweehonderd-achtentwintig euro), bestaande uit € 228,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer] te betalen
€ 10.228,- (hoofdsom, zegge: tienduizend tweehonderdachtentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
6 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
86 dagen;
de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. I. Bouter en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 12 december 2025.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met een vuurwapen op, althans in de richting van die [naam slachtoffer] heeft geschoten en/of die [naam slachtoffer] daarbij in de borst, althans het (boven)lichaam heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
[naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de borst, heeft toegebracht, door met een vuurwapen op, althans in de richting van die [naam slachtoffer] te schieten;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[naam slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een vuurwapen op, althans in de richting van die [naam slachtoffer] heeft geschoten en/of die [naam slachtoffer] daarbij in de borst, althans het (boven)lichaam heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )