ECLI:NL:RBROT:2025:14828

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11831454 VZ VERZ 25-5575 en 11833919 VZ VERZ 25-5598
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens koperdiefstal; vernietiging van het ontslag en wedertewerkstelling van de werknemer

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in twee procedures met betrekking tot ontslag op staande voet. De werknemer, aangeduid als [persoon A], was sinds 7 juli 2022 in dienst bij NAB Bliksembeveiliging B.V. en werd op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende koperdiefstal. NAB beschuldigde [persoon A] ervan koperafval zonder toestemming te hebben meegenomen en leugenachtige verklaringen te hebben afgelegd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de dringende reden voor het ontslag niet is komen vast te staan. De beschuldigingen van NAB zijn onvoldoende onderbouwd en de verklaringen van [persoon A] zijn niet overtuigend weerlegd. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en NAB veroordeeld om [persoon A] binnen 48 uur na betekening van de beschikking in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten. Tevens is NAB veroordeeld tot betaling van het salaris van [persoon A] vanaf 12 juni 2025, met wettelijke verhoging en rente. De verzoeken van NAB zijn afgewezen, en de proceskosten zijn voor rekening van NAB. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummers: 11831454 VZ VERZ 25-5575 en 11833919 VZ VERZ 25-5598
datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak met nummer
11831454van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
verzoeker,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen,
tegen
NAB Bliksembeveiliging B.V.,
vestigingsplaats: Barendrecht,
verweerster,
gemachtigde: mr. S.B. Regtuit,
en
in de zaak met nummer
11833919van
NAB Bliksembeveiliging B.V.,
vestigingsplaats: Barendrecht,
verzoekster,
gemachtigde: mr. S.B. Regtuit,
tegen
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
verweerder,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘NAB’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
In de zaak met nummer 11831454 bestaat het dossier uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [persoon A] ;
  • de brief van [persoon A] van 14 november 2025, met bijlagen;
  • de brief van [persoon A] van 18 november 2025, met een bijlage;
  • de spreekaantekeningen van NAB.
1.2.
In de zaak met nummer 11833919 bestaat het dossier uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van NAB;
  • het verweerschrift van [persoon A] ;
  • de akte van NAB, met bijlagen;
  • de brief van [persoon A] van 18 november 2025, met een bijlage;
  • de spreekaantekeningen van NAB.
1.3.
Op 21 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] met zijn gemachtigde en namens NAB mevrouw [persoon B] en de heer [persoon C] met de gemachtigde.

2.De beoordeling in beide zaken

Waar gaan de zaken over?
2.1.
[persoon A] is sinds 7 juli 2022 als monteur in dienst bij NAB. NAB heeft hem op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 12 juni 2025 staat:
‘ De reden voor dit ontslag is, zoals we je afgelopen woensdag hebben meegedeeld, jouw volstrekt onacceptabele gedrag. Je hebt zonder toestemming koperafval van NAB Bliksembeveiliging van de werklocatie meegenomen en daarover leugenachtige verklaringen afgelegd. Aanleiding was het volgende.
Je hebt vorige week op een locatie in Alkmaar werkzaamheden verricht. Jij diende het koperafval in de daarvoor bestemde container te verzamelen. Dit is in het verleden al meerdere keren tegen jou gezegd en ook nu is dit je opnieuw meegedeeld. Toen [persoon D] (uitvoerder) vrijdag 6 juni jl. op de locatie Alkmaar kwam, wilde hij het koperafval mee terug nemen naar het kantoor in Hulten. Hij kon het koperafval echter niet in de container vinden. Toen hij bij jou navraag deed, gaf je aan dat jij het koperafval in de bestemde container had gegooid maar deze container al geleegd was. [persoon D] vroeg jou om aan te geven waar deze container dan had gestaan, waarop jij geen antwoord kon geven, hetgeen uiteraard zeer vreemd was. Als je het koperafval in een container hebt gegooid, dan moet je deze container zo aan kunnen wijzen. [persoon D] is vervolgens op de bouwplaats bij de uitvoerder gaan navragen of er containers waren geleegd, waarop ontkennend werd geantwoord. Er waren geen containers geleegd of opgehaald. Jouw verhaal klopte dus niet terwijl het koperafval verdwenen was.
Het vormde voor ons reden om nader onderzoek te doen.
We hebben deze week met enkele inleenkrachten op de bouwplaats gesproken en gevraagd of zij wisten wat er met het koperafval was gebeurd. Zijgaven aan dat jij hen gevraagd had om het koperafval in jouw bus te leggen in plaats van in de daarvoor bestemde container te gooien. Opnieuw bleek jouw verklaring niet juist te zijn. (…)
We hebben je gevraagd of je de procedure van het weggooien van koperafval in de daarvoor bestemde container kende. Je bevestigde dat je wist dat het koperafval in de daarvoor bestemde container gegooid moest worden. Je gaf aan dat je het vreemd vond dat het koperafval niet meer in de betreffende container lag en deze leeg was. Je vertelde dat je voor het laatst op donderdag 5 juni jl. koperafval in de bewuste container had gegooid. Toen wij jou confronteerden met het feit dat inleenkrachten hebben verteld dat zij koperafval in jouw bus moesten leggen in plaats van in de container gooien, begon je te draaien. Je zei dat de procedureregels sinds vrijdag 6 juni jl. waren veranderd en je het koperafval niet meer in de container moest gooien maar in jouw bus moest leggen. Echter, de procedureregels zijn niet gewijzigd. Je kon ook niet aangeven wie jou zou hebben verteld dat de procedureregels, in weerwil van de gegeven instructies aan het begin van het project in Alkmaar, zouden zijn gewijzigd. Jouw verklaring stond bovendien haaks op wat je initieel hebt gezegd, namelijk dat je het koperafval in de container zou hebben gegooid. Op onze vraag waarom het koperafval dan niet in jouw bus lag, antwoordde je dat de bus open stond en iedereen het eruit kon hebben gehaald. Echter, ook deze verklaring stond haaks op jouw eerdere verklaring tegen [persoon D] , namelijk dat je het koperafval in de container had gegooid. Je had ook geen verklaring voor het feit dat je gezegd hebt dat de container al was weggehaald terwijl de containers er nog gewoon stonden, terwijl het koperafval ontbrak.’
2.2.
[persoon A] is het niet eens met zijn ontslag op staande voet en verzoekt onder andere vernietiging daarvan. NAB verzoekt [persoon A] te veroordelen tot betaling van de wettelijke schadeloosstelling en een schadevergoeding. Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter zal het ontslag vernietigen en de verzoeken van NAB afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Dringende reden?
2.3.
Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet sprake zijn van een dringende reden, zoals bepaald in artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Die dringende reden is volgens NAB dat [persoon A] zich schuldig heeft gemaakt aan koperdiefstal. Als die diefstal vast staat, is hij terecht op staande voet ontslagen. [persoon A] heeft de beschuldiging echter van begin af aan ontkend. De vraag is dus of het verwijt van de koperdiefstal voldoende kan worden vastgesteld. Geoordeeld wordt dat dat niet het geval is.
2.4.
In de ontslagbrief die hierboven is geciteerd, beschrijft NAB waarop zij de beschuldiging baseert. Dat zijn in de eerste plaats de onduidelijke en wisselende antwoorden die [persoon A] op 6 juni 2025 aan en volgens zijn uitvoerder zou hebben gegeven op vragen waar het koperafval is gebleven en wat hij daarmee heeft gedaan. Verder zouden inleenkrachten hebben verteld dat zij koperafval op verzoek van [persoon A] in zijn bus moesten leggen. Ten slotte is [persoon A] op 11 juni 2025 in een gesprek met drie medewerkers van NAB geconfronteerd met een en ander. In dat gesprek zou hij weer onduidelijke en wisselende antwoorden hebben gegeven. Gelet op de verklaringen van de uitvoerder en de inleenkrachten en de tegenstrijdige verklaringen van [persoon A] staat volgens NAB vast dat het koperafval in zijn bus is gelegd en dat hij het dus heeft gestolen. NAB heeft in deze procedure nog een schriftelijke verklaring van een van de inleenkrachten, [persoon E] , overgelegd: ‘
Hierbij verklaar ik in mijn hoedanigheid als inleenkracht / ZZP'er/ collega, dat ik op .... - .... -..... op project HVC te Alkmaar in opdracht van de heer [persoon A] het koperafval in zijn bus heb moeten leggen in plaats van dit in de daarvoor bestemde container te deponeren. Deze heeft vervolgens de bouwplaats verlaten zonder het koperafval in de daarvoor bestemde container te plaatsen.’ Dit is een voorgedrukte tekst waar een handtekening onder is gezet.
2.5.
Zoals gezegd, heeft [persoon A] ontkend dat hij koperafval heeft gestolen. Dat hij tegenstrijdige antwoorden zou hebben gegeven, wordt ook betwist. Als er al sprake zou zijn geweest van onduidelijkheden dan had dat, zo is aangevoerd, mogelijk te maken met het feit dat [persoon A] , die Pools is, het Nederlands onvoldoende beheerst. Volgens hem heeft dat ook een rol gespeeld bij het gesprek met de drie medewerkers van NAB op 11 juni 2025. Door [persoon A] is verder een appgesprek met [persoon E] overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat die schriftelijke verklaring niet klopt.
2.6.
Om met de beoordeling bij dit laatste te beginnen. Uit dat appgesprek kan inderdaad worden opgemaakt dat die verklaring niet lijkt overeen te stemmen met de waarheid. Hierbij komt dat onduidelijk is of [persoon E] , die ook Pools is, wel voldoende het Nederlands beheerst om te begrijpen wat hij tekende. Een en ander maakt dat aan de juistheid van de schriftelijke verklaring zodanig moet worden getwijfeld dat deze niet kan bijdragen aan het vaststellen van de aan [persoon A] verweten diefstal. Dat [persoon E] in het appgesprek zegt dat hij koperafval aan [persoon A] heeft gegeven om in zijn bus te leggen, levert evenmin een zelfstandige bijdrage aan enig bewijs van diefstal op. Nog daargelaten dat [persoon A] op zitting heeft ontkend dat het klopt en dat hij niet begrijpt waarom [persoon E] het heeft gezegd, kan uit die opmerking niet worden afgeleid wat [persoon A] dan met het koper zou hebben gedaan. Datzelfde geldt voor de tegenstrijdige verklaringen die hij volgens NAB is blijven afleggen. Als dat al het geval is dan valt niet in te zien dat en hoe op basis daarvan moet worden vastgesteld dat [persoon A] daadwerkelijk koperafval heeft gestolen. De redenering van NAB lijkt te zijn dat het niet anders kan zijn dan dat hij dat heeft gedaan, maar zonder enige concrete aanwijzing is die redenering te mager om een zo vergaande maatregel als een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. En zo’n concrete aanwijzing ontbreekt. Dat [persoon A] met koperafval in zijn bus van de locatie is weggereden, is kennelijk niet waargenomen. Het is niet eens duidelijk geworden welke andere inleenkrachten dan [persoon E] zouden hebben verklaard dat zij van [persoon A] koperafval in zijn bus moesten leggen.
2.7.
Het gesprek van 11 juni 2025 was voor NAB medebepalend bij het nemen van haar beslissing. Van dat gesprek is een audio-opname overgelegd. Na het beluisteren hiervan wordt niet zozeer de mening van (de gemachtigde van) [persoon A] gedeeld dat het
‘misselijkmakend’ is, maar wel wordt betwijfeld of [persoon A] voldoende begrijpt wat hem gevraagd wordt en of hij zich er bewust van is welk gevolg zijn antwoorden kunnen hebben. Zijn Nederlands wekt niet de indruk goed genoeg te zijn om zich in een gesprek met drie anderen over een onderwerp als diefstal en een (mogelijk) ontslag staande te kunnen houden. Dit betekent dat voorzichtig moet worden om gegaan met eventuele tegenstrijdigheden in antwoorden die hij geeft en de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken. Als daarbij ook in aanmerking wordt genomen wat hiervoor is overwogen over het ontbreken van concrete aanwijzingen dan kan op basis van het verloop van het gesprek van 11 juni 2025 evenmin worden vastgesteld dat [persoon A] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van koperafval. Alles overziend, wordt dus geoordeeld dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet niet is komen vast te staan. Het verzoek tot vernietiging daarvan wordt daarom toegewezen.
Wedertewerkstelling
2.8.
Het gevolg van de vernietiging is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat. [persoon A] wil weer aan het werk. NAB moet daaraan meewerken. Zij wordt, zoals verzocht, dan ook veroordeeld [persoon A] toe te laten tot zijn werk binnen 48 uur na de betekening van deze beschikking.
Salaris(specificatie), wettelijke verhoging en rente
2.9.
Ook wordt NAB veroordeeld tot betaling van het salaris van [persoon A] vanaf 12 juni 2025, met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente en onder verstrekking van een deugdelijke bruto/nettospecificatie. NAB heeft matiging van de wettelijke verhoging bepleit, omdat zij vindt dat [persoon A] dit geschil zelf heeft veroorzaakt door onder andere tegenstrijdig te verklaren. NAB verliest daarbij echter uit het oog dat zij als werkgever zonder voldoende concrete aanwijzingen dat [persoon A] zich schuldig had gemaakt aan diefstal is overgegaan tot een ontslag op staande voet. De gevolgen van deze keuze komen dan ook voor haar rekening en risico.
Dwangsom?
2.10.
[persoon A] heeft verzocht aan de veroordelingen tot wedertewerkstelling en afgifte van een bruto/nettospecificatie dwangsommen te verbinden. Deze worden afgewezen. Over die laatste veroordeling heeft NAB gezegd dat er geen reden is om aan te nemen dat zij die specificatie niet zal verstrekken. Dat die reden er wel zou zijn, is niet gesteld of gebleken. Waarom aanleiding is te denken dat NAB niet zou meewerken aan een wedertewerkstelling is evenmin aangevoerd. Dat zij dat niet zal doen is ook verder niet duidelijk geworden.
Verzoeken NAB
2.11.
Gelet op dat wat hiervoor is geoordeeld, worden de verzoeken van NAB afgewezen. Die gaan namelijk uit van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.
Proceskosten in beide zaken
2.12.
NAB krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten worden aan de kant van [persoon A] begroot op € 90,00 aan griffierecht, € 1.086,00 aan gemachtigdensalaris en € 135,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 1.311,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking door de deurwaarder betekend moet worden. Omdat het verweerschrift dat [persoon A] naar aanleiding van het verzoekschrift van NAB heeft ingediend nagenoeg identiek is aan zijn eigen verzoekschrift en de verzoeken op dezelfde zitting zijn behandeld, wordt geen reden gezien in beide zaken tot een afzonderlijke proceskostenveroordeling te komen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in 11831454
3.1.
vernietigt het op 11 juni 2025 door NAB aan [persoon A] gegeven ontslag op staande voet;
3.2.
veroordeelt NAB om [persoon A] binnen 48 uur na de betekening van deze beschikking in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;
3.3.
veroordeelt NAB om [persoon A] vanaf 12 juni 2025 zijn loon van € 3.280,70 bruto per maand te betalen, met vakantietoeslag en andere loononderdelen, met wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek van 50%, en een ander met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek, steeds vanaf de dag dat een bepaald bedrag betaald had moeten zijn tot het moment waarop NAB dat bedrag betaalt;
3.4.
veroordeelt NAB om binnen 24 uur nadat zij [persoon A] betaalt waarop hij op grond van deze beschikking recht heeft, een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificatie van die betaling te verstrekken;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
in 11833919
3.6.
wijst de verzoeken af;
in 11831454 en 11833919
3.7.
veroordeelt NAB in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op een bedrag van € 1.311,00;
3.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
686