Op 28 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende een minderjarige, geboren in 2012. De kinderrechter heeft de ouders, die belast zijn met het ouderlijk gezag, en de gezinshuisouders als belanghebbenden aangemerkt. De Raad verzocht om een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gezinshuis voor de duur van twaalf maanden. Dit verzoek werd gedaan omdat eerdere plaatsingen niet positief waren verlopen en de ouders momenteel niet in staat zijn om zelfstandig voor de minderjarige te zorgen. Tijdens de zitting op 28 november 2025, waar ook een tolk aanwezig was vanwege taalproblemen van de ouders, werd het verzoek van de Raad verder toegelicht. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige momenteel in een gezinshuis verblijft waar hij zich positief ontwikkelt, maar dat er zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de ouders. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft de beschikking openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 11 december 2025.