ECLI:NL:RBROT:2025:14783

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/10/694480 / JE RK 25-318
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het belang van zijn verzorging en opvoeding

Op 13 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2013. De kinderrechter oordeelt dat het noodzakelijk is om de machtiging te verlengen, omdat verblijf bij een van de ouders momenteel niet mogelijk is. De minderjarige verblijft op een open groep van Bergse Bos en heeft daar grote ontwikkeling laten zien. De vader heeft een verleden van agressie en emotieregulatieproblemen, wat momenteel een terugplaatsing bij hem onmogelijk maakt. De moeder heeft ook zorgen over haar draagkracht en de thuissituatie, waardoor terugplaatsing bij haar op dit moment niet mogelijk is. De kinderrechter benadrukt het belang van voorzichtig contactherstel tussen de vader en de minderjarige, zonder druk uit te oefenen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 25 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/694480 / JE RK 25-318
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. V. de Roo, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van 16 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 17 oktober 2025.
1.2.
Op 13 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl, waarnemend voor mr. V. de Roo;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft op een open groep van Bergse Bos.
2.3.
Bij beschikking van 10 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 30 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 16 juni 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 december 2025.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op de ondertoezichtstelling is reeds beslist. Bovendien is over de periode tot 1 december 2025 reeds beslist inzake de machtiging tot uithuisplaatsing. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 30 maart 2026.
3.3.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Op 6 november 2025 heeft het herstelgesprek plaatsgevonden tussen de vader en [voornaam minderjarige] . Dit gesprek heeft niet geleid tot contactherstel via het MST-Can-traject. Een voorwaarde voor het MST-Can-traject is nog steeds dat contactherstel plaatsvindt en dat na vier maanden wordt toegewerkt naar een eventuele thuisplaatsing. De vader heeft weinig tot matig inzicht in zijn agressie- en emotieregulatieproblematiek. [voornaam minderjarige] geeft aan geen contactherstel te willen en zegt bij zijn moeder te willen wonen. Dit moet nog verder onderzocht worden, maar vanuit de groep waar [voornaam minderjarige] verblijft zijn zorgen gemeld over de moeder. De moeder is overbelast; het logeren van [voornaam minderjarige] bij de moeder is van twee nachten teruggebracht naar één nacht. Daarnaast zijn er zorgen over de thuissituatie van de moeder met betrekking tot de hygiëne, voeding en beschikbaarheid. Ook vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin zijn zorgen geuit over de situatie bij de moeder thuis en over de zorg voor de zusjes van [voornaam minderjarige] .

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder stemt in met het verzoek. [voornaam minderjarige] maakt zich zorgen dat hij naar een andere groep moet, omdat de groep waar hij nu verblijft bedoeld is voor kinderen tot 12-jaar. De groep heeft aangegeven dat [voornaam minderjarige] na een gesprek hierover op school is tekeer gegaan, waardoor hij op vrijdag en maandag niet naar school mocht. Daarnaast heeft de taxichauffeur gemeld dat [voornaam minderjarige] in de bus lastig gedrag vertoonde en dat de chauffeur zich hierdoor niet veilig voelde. [voornaam minderjarige] en de vader hebben vergelijkbare problematiek op het gebied van emotieregulatie. Wanneer iets niet gaat zoals hij wil, kan [voornaam minderjarige] uit zijn slof gaan. Dit gedrag zou ook optreden als [voornaam minderjarige] bij de vader zou wonen. [voornaam minderjarige] maakt zich zorgen dat de vader opnieuw boos wordt als hij bij hem gaat wonen. [voornaam minderjarige] gelooft niet dat het gedrag van de vader is veranderd.

5.Het standpunt van de vader

5.1.
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De vader hoopt binnenkort een gesprek met [voornaam minderjarige] te kunnen voeren om nogmaals zijn excuses aan te bieden. De vader ervaart de situatie als zeer moeilijk. Het herstelgesprek is uit de hand gelopen omdat er de afgelopen periode geen stappen zijn gezet, wat voor de vader frustrerend is geweest. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven een gesprek te willen onder begeleiding van een therapeut van Bergse Bos. Dit hoeft niet wekelijks, maar bijvoorbeeld eens per twee weken gedurende een uur. De vader staat al geruime tijd op de wachtlijst bij Indigo en hoopt dat de hulpverlening daar binnenkort kan starten.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
6.2.
[voornaam minderjarige] woont sinds januari 2023 niet meer bij zijn moeder. Van januari 2023 tot januari 2024 was hij gesloten geplaatst. Daarna is hij overgeplaatst naar een open groep bij Bergse Bos. Hier heeft [voornaam minderjarige] grote ontwikkeling laten zien. Het plan was om [voornaam minderjarige] vervolgens bij de vader te plaatsen, maar door een incident op 18 april 2025, waarbij de vader [voornaam minderjarige] fysiek heeft aangevallen, is dit momenteel niet mogelijk. [voornaam minderjarige] wil geen contact met zijn vader. In augustus 2025 zou een herstelgesprel plaatsvinden, maar dit ging op het laatste moment niet door omdat [voornaam minderjarige] dit niet wilde. Hierna heeft zich een incident voorgedaan tussen de vader en de GI, wat [voornaam minderjarige] heeft gehoord. In november heeft het herstelgesprek alsnog plaatsgevonden, maar dit gaf [voornaam minderjarige] geen goed gevoel. Hij is ervan overtuigd dat de vader geen spijt heeft en is bang dat er opnieuw geschreeuwd en geslagen zal worden wanneer hij bij zijn vader woont. Het is noodzakelijk dat de vader eerst hulpverlening krijgt voor zijn emotieregulatieproblematiek voordat terugplaatsing wordt overwogen. De vader staat hiervoor op een wachtlijst en naar verwachting zal deze hulpverlening binnenkort starten. [voornaam minderjarige] wil het liefste zijn moeder wonen, maar er zijn zorgen over haar draagkracht. Tijdens de zitting vertelde de moeder dat zij het erg zwaar heeft met de zorg voor haar andere kinderen. De GI heeft aangegeven deze situatie nader te onderzoeken, maar op dit moment is terugplaatsing bij de moeder niet mogelijk. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het in het belang van [voornaam minderjarige] is dat zijn verblijf bij Bergse Bos wordt voortgezet, aangezien hij momenteel niet bij een van zijn ouders kan wonen.
6.3.
De komende periode is het van belang dat er voorzichtig contactherstel plaatsvindt tussen de vader en [voornaam minderjarige] , zodat de verwijdering tussen hen niet groter wordt. Er mag hierbij niet te veel druk op [voornaam minderjarige] worden uitgeoefend. Een fysiek gesprek is op dit moment te veel gevraagd en kan averechts werken.
6.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 maart 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025 door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 25 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.