ECLI:NL:RBROT:2025:14764

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2064 – FT RK 25/2065 - FT RK 25/2058 – FT RK 25/2060
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en niet-ontvankelijkheid in schuldsaneringsregeling

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekers een voorlopige voorziening vroegen op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. De verzoekers, die in financiële problemen verkeerden, hadden een huurachterstand van € 14.955,16 en vroegen de rechtbank om hen te beschermen tegen ontruiming van hun woning. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende inzicht was in de financiële situatie van de verzoekers, die geen bewijs konden overleggen van hun huidige inkomenspositie. Verzoekster had recent een baan, maar kon geen arbeidscontracten tonen, en verzoeker was werkzoekende. De rechtbank concludeerde dat de belangen van de verhuurder, die het vonnis tot ontruiming wilde uitvoeren, zwaarder wogen dan die van de verzoekers. De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaarde de verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank benadrukte dat verzoekers in de toekomst een nieuw verzoek kunnen indienen indien nodig.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoeker] en [verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 17 en 18 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • mevrouw S. Ramlal, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw S. Soekhai, werkzaam bij Geldplein.
[naam], werkzaam bij Flanderijn Legal heeft namens Stichting Woonbron (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden en aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Schuldhulpverlening heeft op 8 december 2025 aanvullende stukken toegezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft deze stukken op 9 december 2025 doorgestuurd naar verweerster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
In het verzoekschrift wordt aangegeven dat de huurachterstand is ontstaan doordat verzoeker gedurende enige tijd in Suriname verbleef om zijn machtiging tot voorlopig verblijf af te wachten. Verzoekster heeft hem in deze periode financieel ondersteund. Verzoekster werkte destijds als zelfstandige, maar had minder diensten en daardoor minder inkomsten. Daarnaast heeft zij ter zitting verklaard dat zij gedurende een periode niet is uitbetaald voor verricht werk, waardoor de financiële situatie verder onder druk kwam te staan. Verzoekster verwacht dat zij binnenkort een betaling ontvangt waarmee zij de huur van december kan betalen. Volgens verzoekster heeft verweerster haar tot aanstaande
5 december 2025 uitstel verleend. Verzoekster heeft tenslotte aangegeven sinds 1 december 2025 in loondienst te zijn bij Daan en daarnaast werkzaam te zijn in de wijkverpleging, voor in totaal 48 uur per week. Verzoekster kon ter zitting geen arbeidscontracten overleggen. Verzoeker is momenteel werkzoekende, nadat hij met een eerdere baan was gestopt.

3.Het verweer

Verweerster voert – kort weergegeven – aan dat de huurachterstand, berekend tot en met november 2025, € 14.955,16 bedraagt en sinds de dagvaarding van 25 juni 2024 is verdubbeld. Verweerster stelt dat zij geen enkel inzicht heeft gekregen in de financiële situatie van verzoekster, noch in die van verzoeker, die eveneens op het adres woont en hoofdelijk aansprakelijk is voor de achterstand. Volgens verweerster is onduidelijk of verzoekster thans inkomsten heeft en wat de bijdrage van verzoeker is aan de woonlasten.
Voorts wijst verweerster erop dat verzoekster herhaaldelijk afspraken en afbetalingsregelingen niet is nagekomen. Ondanks eerdere kansen, waaronder het annuleren van meerdere aangezegde ontruimingen na betalingen ineens, is de achterstand telkens verder opgelopen. Ook een eerder traject bij schuldhulpverlening is beëindigd omdat verzoekster onbereikbaar was. Volgens verweerster betaalt verzoekster uitsluitend wanneer een ontruiming dreigt en laat zij daarna niets meer van zich horen.
Verweerster stelt dat zij het vertrouwen in verzoekster volledig heeft verloren en dat niet langer van haar kan worden gevergd dat verzoekster in de woning blijft. Toewijzing van het moratorium zou volgens haar onredelijk zijn, mede omdat daarmee ook de mogelijkheid wordt ontnomen om verzoeker te ontruimen of te bewegen hulp te accepteren. Verweerster verzoekt het verzoek af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de voorlopige voorziening slechts voor een kortere termijn toe te wijzen die van rechtswege vervalt zodra een toekomstige gebruiksvergoeding niet tijdig volledig wordt voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 16 oktober 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 31 januari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. In de afgelopen maanden is er slechts op 22 en 23 oktober 2025 een bedrag van in totaal € 2.230,- aan de verhuurder voldaan. Ten aanzien van de huur van december 2025 heeft verzoekster ter zitting aangegeven dat deze op
4 december 2025 zou worden betaald. In een bericht met bijlagen aan de rechtbank van
8 december 2025 heeft schuldhulpverlening melding gemaakt van het onbetaald blijven van de huur van december 2025 wegens beslag op het inkomen van verzoekster. Van deze omstandigheid heeft verzoekster op de zitting geen melding gemaakt, terwijl de beslagaanzegging dateert van 23 oktober 2025. De na de zitting overgelegde stukken bieden nog steeds geen inzicht in de huidige inkomstenpositie van verzoekster; arbeidscontracten of andere onderbouwende documenten ontbreken. Voorts heeft verzoeker tot op heden geen werk. De continuïteit van de toekomstige huurbetalingen is onvoldoende gewaarborgd. De reeds aanzienlijke schuld van € 14.955,16 zal verder toenemen, terwijl verzoekers herhaalde kansen is geboden. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.