ECLI:NL:RBROT:2025:14757

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2082 – FT RK 25/2083
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurachterstand en schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft verzoeker op 20 november 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is gedaan in het kader van een dreigende ontruiming van zijn huurwoning, die was uitgesproken in een eerder vonnis van 19 juli 2024. De rechtbank heeft op 2 december 2025 de zitting gehouden, waarbij de beschermingsbewindvoerder en de advocaat van verzoeker aanwezig waren. Verzoeker heeft aangegeven dat zijn financiële situatie is verbeterd sinds hij onder beschermingsbewind staat en dat hij zijn huurbetalingen tijdig voldoet. Verweerster heeft aangegeven akkoord te gaan met het verzoek, mits verzoeker de huurtermijnen tijdig blijft betalen.

De rechtbank heeft beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie, zoals vereist door de wet. Aangezien verzoeker bewijs heeft overgelegd van de dreigende ontruiming, heeft de rechtbank geoordeeld dat er inderdaad sprake is van een bedreigende situatie. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker, die in zijn huurwoning wil blijven wonen en de schuldhulpverlening wil doorlopen, afgewogen tegen de belangen van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten om de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat verzoeker de huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 20 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 21 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw C.M. Doorenweerd, beschermingsbewindvoerder van verzoeker;
  • mevrouw mr. I. Tol, waarnemend advocaat van verzoeker.
AGIN Timmermans, heeft namens verweerster op 28 november 2025 een reactie op het onderhavige verzoek aan de rechtbank toegezonden en aangegeven niet bij de zitting te zullen verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
In het verzoekschrift wordt aangegeven dat de huurachterstand is ontstaan doordat verzoeker geen financiële opvoeding heeft gehad en daardoor snel het overzicht over zijn financiële verplichtingen kwijtraakte. Verzoeker is op jonge leeftijd uit huis geplaatst en was sindsdien op zichzelf aangewezen. Inmiddels is zijn financiële situatie gestabiliseerd, nu hij sinds 17 januari 2025 onder beschermingsbewind staat. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de huur in ieder geval sinds maart van dit jaar wordt voldaan. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de huur al gedurende een langere periode wordt betaald. Verzoeker had sinds medio 2024 budgetbeheer, welk traject per januari 2025 is omgezet naar beschermingsbewind. Volgens zijn advocaat werkt verzoeker, samen met de beschermingsbewindvoerder, actief aan het oplossen van zijn schulden. Verzoeker beschikt inmiddels over een arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week.

3.Het verweer

Verweerster heeft bij bericht van 28 november 2025 aangegeven akkoord te kunnen gaan met het verzoek van verzoeker om hem in de gelegenheid te stellen de schuldhulpverlening thans op te starten. Daarbij stelt verweerster wel als voorwaarde dat verzoeker zorgdraagt voor tijdige betaling van de lopende huurtermijnen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 30 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 19 juli 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker staat sinds 17 januari 2025 onder beschermingsbewind en de huur wordt al geruime tijd tijdig voldaan; uit de stukken blijkt dat in ieder geval sinds maart van dit jaar is betaald. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder toegelicht dat verzoeker al sinds medio 2024 budgetbeheer had, waardoor de betalingen ook voor maart van dit jaar waren voldaan. Daarnaast beschikt verzoeker inmiddels over een arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week, zodat zijn inkomen structureel is en toereikend wordt geacht om de lopende huurtermijnen te blijven voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 19 juli 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
21 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.