In deze zaak heeft verzoeker op 20 november 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is gedaan in het kader van een dreigende ontruiming van zijn huurwoning, die was uitgesproken in een eerder vonnis van 19 juli 2024. De rechtbank heeft op 2 december 2025 de zitting gehouden, waarbij de beschermingsbewindvoerder en de advocaat van verzoeker aanwezig waren. Verzoeker heeft aangegeven dat zijn financiële situatie is verbeterd sinds hij onder beschermingsbewind staat en dat hij zijn huurbetalingen tijdig voldoet. Verweerster heeft aangegeven akkoord te gaan met het verzoek, mits verzoeker de huurtermijnen tijdig blijft betalen.
De rechtbank heeft beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie, zoals vereist door de wet. Aangezien verzoeker bewijs heeft overgelegd van de dreigende ontruiming, heeft de rechtbank geoordeeld dat er inderdaad sprake is van een bedreigende situatie. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker, die in zijn huurwoning wil blijven wonen en de schuldhulpverlening wil doorlopen, afgewogen tegen de belangen van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten om de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat verzoeker de huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen.