ECLI:NL:RBROT:2025:14755

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2069 – FT RK 25/2070
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurachterstand en schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft verzoekster op 19 november 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 2 december 2025 bepaald, maar verweerster, Stichting Havensteder, is niet verschenen. Verzoekster heeft een huurachterstand opgebouwd doordat zij drie jaar in Portugal heeft gewoond en nu terug is in Nederland. Ze heeft zich aangemeld voor schuldhulpverlening en is bezig met het stabiliseren van haar financiële situatie.

De rechtbank heeft beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie, zoals vereist door artikel 287b, tweede lid, Fw. Aangezien verzoekster bewijs heeft overgelegd van een dreigende ontruiming, oordeelt de rechtbank dat er inderdaad sprake is van een bedreigende situatie. De rechtbank weegt de belangen van verzoekster, die in haar huurwoning wil blijven, tegen die van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. De rechtbank concludeert dat het belang van verzoekster zwaarder weegt, vooral gezien haar inspanningen om haar financiële situatie te verbeteren.

De rechtbank heeft daarom de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming opgeschort voor de duur van zes maanden, mits verzoekster haar huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan zij in de toekomst een nieuw verzoek indienen. De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Roos-van Toor op 10 december 2025.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: C[nummers]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 19 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw C. Cruz Ramos, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Schuldhulpverlening heeft op 4 december 2025 op verzoek van de rechtbank de arbeidsovereenkomst van verzoekster aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de huurachterstand is ontstaan doordat verzoekster gedurende drie jaar in Portugal heeft gewoond en het voor haar lastig was om zowel de vaste lasten in Portugal als in Nederland te betalen. Inmiddels is verzoekster teruggekeerd naar Nederland en is niet meer voornemens terug te gaan naar Portugal. Verzoekster heeft zich bij schuldhulpverlening gemeld om ondersteuning te krijgen bij het regelen van haar schulden. In het kader hiervan zal beschermingsbewind of budgetbeheer worden aangevraagd om haar financiële situatie verder te stabiliseren.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 7 november 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 21 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft zich bij schuldhulpverlening gemeld voor ondersteuning bij haar schulden. Ter stabilisatie van haar financiële situatie zal beschermingsbewind of budgetbeheer worden aangevraagd. Verzoekster heeft, met hulp van haar vader, op 21 november 2025 een bedrag van € 1.285,78 betaald aan de verhuurder voor de huur van november en december 2025. Sinds 28 november 2025 is zij werkzaam als callcentermedewerker, en daarnaast is met spoed een uitkering aangevraagd zodat haar inkomsten voldoende zijn om de lopende huur te waarborgen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
19 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.