In deze zaak heeft verzoekster op 18 november 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025. Tijdens de zitting op die datum zijn zowel verzoekster als haar advocaat, de heer mr. J. Pearson, alsook mevrouw A.D.V. Martina namens verweerster, Stichting Woonstad Rotterdam, aanwezig geweest. Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het vonnis van 8 oktober 2025 tot ontruiming van haar woning ten uitvoer zou worden gelegd.
Verweerster heeft toegelicht dat de huurachterstand al snel na het ingaan van de huurovereenkomst is ontstaan en dat er sinds 2022 gesprekken zijn gevoerd over de oplopende achterstanden. Ondanks eerdere pogingen tot hulpverlening heeft verzoekster aangegeven geen ondersteuning te wensen. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake was van een bedreigende situatie, zoals vereist door artikel 287b, tweede lid, Fw. Aangezien verzoekster bewijs had overgelegd van de dreigende ontruiming, concludeerde de rechtbank dat er inderdaad sprake was van een bedreigende situatie.
De rechtbank heeft de belangen van verzoekster, die in haar huurwoning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, afgewogen tegen de belangen van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. De rechtbank oordeelde dat verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in staat was om de huurtermijnen tijdig te voldoen, mede gezien haar verbeterde financiële situatie. Daarom heeft de rechtbank de voorlopige voorziening toegewezen, maar met voorwaarden. Tevens heeft de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.