ECLI:NL:RBROT:2025:14753

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1353
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende afloscapaciteit tijdens studie

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij zij een akkoord aanbood met betaling van 64,27% van haar schuldenlast aan concurrente schuldeisers. Twee schuldeisers stemden in, maar Zilveren Kruis, met een vordering van €830,62, weigerde mee te werken omdat zij volledige betaling wenst.

Zilveren Kruis stelt dat verzoekster voldoende afloscapaciteit heeft om haar schulden binnen 36 maanden volledig af te lossen, mede omdat alternatieven zoals herfinanciering niet onderzocht zijn. Verzoekster volgt echter een opleiding en ontvangt studiefinanciering zonder betaald werk, waardoor zij niet aan de eis van minimaal 36 uur werken voldoet. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat verzoekster niet in staat zal zijn een hoger inkomen te genereren na afronding van haar opleiding.

De rechtbank weegt het belang van Zilveren Kruis, die bijna de helft van de schulden bezit, zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers en concludeert dat het aanbod niet het maximaal haalbare is. Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat het aanbod niet het maximaal haalbare is gezien de studiestatus van verzoekster.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 26 november 2025
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 25 juli 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Zilveren Kruis Achmea, hierna te noemen: Zilveren Kruis;
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Zilveren Kruis heeft op 11 november 2025 een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 19 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw O.S.B. Karsters, schuldhulpverlener,
  • de heer J. van Starrenburg, schuldhulpverlener,
  • mevrouw M. Kalaf, begeleidster namens het JES-traject,
  • mevrouw D. Sadi, persoonlijk begeleidster van verzoekster.
De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift drie concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 1.741,10 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 24 april 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 64,27% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit die ten grondslag ligt aan het aanbod tegen finale kwijting van 24 april 2025 is gebaseerd op de maandelijkse inleg vanuit het zogenoemde JES-traject. Binnen dit traject voldoet de gemeente de maandelijkse aflossing op het saneringskrediet, terwijl verzoekster dit bedrag aan de gemeente terugbetaalt in de vorm of waarde van een tegenprestatie. Verzoekster beschikt zelf niet over inkomen waaruit afloscapaciteit kan worden afgeleid, nu zij uitsluitend studiefinanciering ontvangt. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door de gemeente ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Twee schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Zilveren Kruis stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 830,62 op verzoekster.

3.Het verweer

Zilveren Kruis verzoekt om afwijzing van het dwangakkoord, omdat zij volledige betaling van de vordering verlangt. Zij heeft meegewerkt aan de stabilisatieperiode en aanvullende achterstanden uit coulance aan de schuldregeling toegevoegd. Het aangeboden percentage accepteert Zilveren Kruis niet, omdat verzoekster volgens haar over voldoende afloscapaciteit beschikt om haar volledige schuldenlast binnen 36 maanden af te lossen.
Volgens Zilveren Kruis verkeert verzoekster daardoor niet in een problematische schuldsituatie. Ook zijn volgens Zilveren Kruis alternatieven zoals herfinanciering of een saneringskrediet met een looptijd van 36 maanden niet onderzocht. Zilveren Kruis concludeert dat het voorstel niet het maximaal haalbare is en dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die finale kwijting rechtvaardigt. Daarom verzoekt zij de rechtbank het dwangakkoord af te wijzen en is zij enkel bereid mee te werken aan een regeling gericht op volledige aflossing binnen 36 maanden.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Zilveren Kruis geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Zilveren Kruis bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Zilveren Kruis in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Zilveren Kruis een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 47,7 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Zilveren Kruis in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Verzoekster volgt tot op heden nog de opleiding Retail Medewerker. Verzoekster ontvangt studiefinanciering en toeslagen van de Belastingdienst. Verzoekster heeft geen betaald werk en voldoet daarmee niet aan de eis om minimaal 36 uur per week te werken. Gedurende haar opleiding zal zij hier naar verwachting ook niet aan kunnen voldoen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij haar opleiding op zeer korte termijn verwacht af te ronden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om een inkomen te genereren dat zou leiden tot een hogere afloscapaciteit en wellicht een volledige aflossing van haar schuldenlast.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Zilveren Kruis als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om Zilveren Kruis te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025. [1]