ECLI:NL:RBROT:2025:14736

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/10/709646 / JE RK 25-2280
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van de jeugdzorg

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [voornaam minderjarige]. De kinderrechter heeft het verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering afgewezen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ouders, de vader en de moeder, belast zijn met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige], die bij zijn moeder woont. De moeder verblijft sinds augustus 2025 met [voornaam minderjarige] bij Elckerlyc, waar zij ondersteuning ontvangt. De kinderrechter heeft in zijn beoordeling gekeken naar de zorgen rondom de opvoeding van [voornaam minderjarige], waaronder huiselijk geweld en de emotionele veiligheid van het kind. Ondanks de zorgen heeft de kinderrechter geoordeeld dat er op dit moment onvoldoende redenen zijn om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen. De kinderrechter heeft benadrukt dat het belangrijk is dat [voornaam minderjarige] bij zijn ouders blijft en dat er mogelijkheden zijn voor de ouders om samen te werken aan een veilige opvoedomgeving. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/709646 / JE RK 25-2280
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende in Vlaardingen,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kievit, kantoorhoudende in Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI van 24 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op 6 november 2025;
  • het e-mailbericht en de productie van de advocaat van de vader, ontvangen op 14 november 2025;
  • de aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 19 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder bijgestaan door mr. M.C.G. Voogt, waarnemend voor mr. S. Kievit;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 17 oktober 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 17 oktober 2025 tot 17 oktober 2026. Tevens heeft de kinderrechter van deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder verleend, met ingang van 17 oktober 2025 tot 17 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De moeder verblijft nu drie maanden bij Elckerlyc en hier wordt gezien dat de moeder overbelast is en [voornaam minderjarige] vaak overdraagt naar zijn vader. Hierdoor is ook de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader uitgebreid van één dag naar het hele weekend. Het is positief dat deze uitbreiding goed verloopt, maar het laat tegelijkertijd wel zien dat de zorg voor [voornaam minderjarige] meer vraagt dan de moeder kan bieden. Het is fijn om te horen dat de samenwerking tussen de ouders beter loopt maar de GI krijgt ook nog vaak belletjes van de moeder waarin zij aangeeft dat zij bang is voor de vader en niet meer naar buiten durft. Een plaatsing bij de vader is door de GI overwogen maar hierin heeft de GI het advies van de gedragswetenschapper gevolgd. Bij een plaatsing bij de vader krijgen de opa en oma ook een ouderrol wat niet de bedoeling is. Een paar dagen geleden heeft de GI de oma van de vader huilend aan de telefoon gehad, die aangaf dat het haar te veel werd. Ook wordt de positie van de moeder ondermijnd als [voornaam minderjarige] bij de vader wordt geplaatst waar ook de opa en oma verblijven. Het doel van de uithuisplaatsing is om [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk bij de vader of de moeder terug te plaatsen. Eerst moet er goed zicht komen op de situatie van de vader. Daarnaast moet de GI onderzoeken of Elckerlyc de juiste plek is voor de moeder aangezien zij weinig ervaring hebben op het gebied van LVB-problematiek.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Een uithuisplaatsing is een uiterste maatregel waarbij de moeder eerst met passende hulpverlening de kans moet krijgen om te laten zien dat zij de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] kan dragen. De moeder ontkent niet dat er problemen zijn, maar op dit moment is er vanuit Elckerlyc een plan van aanpak opgesteld voor de komende zes tot acht weken waarin nieuwe doelen zijn gesteld. Deze doelen zijn specifiek afgestemd op de behoeften en mogelijkheden van de moeder. Ondanks eerdere waarschuwingen vanuit Elckerlyc over de hygiëne van de moeder kan uit deze brief van Elckerlyc worden afgeleid dat de moeder bij Elckerlyc kan blijven, en dat zij nog mogelijkheden zien voor de moeder om zelf voor [voornaam minderjarige] te zorgen. Daarnaast zal de moeder naast de hulpverlening vanuit Elckerlyc hulp krijgen vanuit Pameijer die twee keer per week 1,5 uur langskomen. Zij zullen de moeder helpen om haar huis op orde te krijgen en tips geven hoe de moeder het huis vervolgens ook goed schoon kan houden. De moeder is van mening dat het op dit moment niet in het belang van [voornaam minderjarige] is om hem te plaatsen in een neutraal pleeggezin. De dynamiek tussen de vader en de moeder is langzaam aan het verbeteren en er is nog passende hulpverlening die voor de moeder wordt ingezet.
4.3.
Door en namens de vader wordt het volgende naar voren gebracht. De vader maakt zich veel zorgen over het welzijn van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De vader staat achter een uithuisplaatsing, maar vindt de plek die de GI voor ogen heeft ingewikkeld. De vader is van mening dat er onvoldoende onderzoek vanuit de GI is gedaan om de bezien of een plaatsing bij hem of zijn ouders geschikt is. Een plaatsing in het netwerk is altijd beter dan een plaatsing in een neutraal pleeggezin, aldus vader. De vader is bang voor de lange termijn gevolgen waar [voornaam minderjarige] mee moet kampen wanneer hij, na een al turbulente periode, in een pleeggezin wordt geplaatst waar hij de omgeving niet kent. De vader is op dit moment bezig met een psychologisch onderzoekstraject waar hij nog twee behandelingen krijgt en daarna met een positieve uitslag is uitbehandeld. Daarnaast is het huis van de vader opgeknapt en voelt de vader goed aan waar [voornaam minderjarige] behoefte aan heeft. De vader ziet liever dat [voornaam minderjarige] bij hem of zijn ouders wordt geplaatst in plaats van in een neutraal pleeggezin.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondeling behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
5.2.
Dat er zorgen over [voornaam minderjarige] zijn staat wel vast. [voornaam minderjarige] heeft op zijn zeer jonge leeftijd al veel meegemaakt. Tussen de vader en de moeder heerst een complexe dynamiek waarbij er zorgen zijn over onder andere huiselijk geweld, partnerrelatie, emotionele veiligheid, ondermaatse basisvoorziening en een onhygiënische leefomgeving. Sinds augustus 2025 verblijft de moeder met [voornaam minderjarige] bij Elckerlyc. De moeder heeft meerdere officiële waarschuwingen gekregen waardoor het onzeker was of de moeder hier kon blijven. Op 18 november 2025 is er vanuit Elckerlyc een verslag opgesteld, waarin een actieplan voor de komende zes tot acht weken is opgesteld. Hieruit blijkt dat de moeder nog bij Elckerlyc kan blijven en dat zij extra opvoedondersteuning krijgt om het huis kindvriendelijk en hygiënisch te krijgen. Gelet op dit actieplan is constateert de kinderrechter dat de moeder nog een kans heeft om noodzakelijke veranderingen teweeg te brengen en [voornaam minderjarige] een hygiënische en emotioneel veilige opvoedomgeving te bieden.
5.3.
De vader vraagt om [voornaam minderjarige] bij hem te plaatsen. De vader geeft aan dat hij zijn woning heeft opgeknapt en binnenkort zijn therapie met een positief resultaat zal afronden. De vader is van mening dat hij met zijn netwerk (opa en oma) een stabiele opvoedsituatie voor [voornaam minderjarige] kan bieden. De GI heeft echter aangegeven dat zij onderzoek hebben gedaan naar een plaatsing bij de vader maar dat er op dit moment te weinig zicht is op de opvoedvaardigheden van de vader. Daarnaast brengt een plaatsing bij de opa en oma vaderszijde mogelijke loyaliteitsrisico’s met zich mee. Tevens heeft de moeder aangegeven dat zij niet achter een plaatsing bij de opa en oma vaderszijde staat. Hoewel het verzoek van de GI niet ziet op een plaatsing bij de vader of bij opa en oma vaderszijde, is de kinderrechter met de vader van oordeel dat er op dit moment nog onvoldoende is gekeken naar de opvoedmogelijkheden van de vader en zijn netwerk. In het belang van [voornaam minderjarige] heeft een plaatsing binnen het netwerk altijd de voorkeur boven een plaatsing binnen een neutraal pleeggezin.
5.4.
Gelet op voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er nu onvoldoende zorgen zijn om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen in een neutraal pleeggezin. Het uitgangspunt is immers dat kinderen bij hun ouders opgroeien waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing een uiterst redmiddel is. Met andere woorden: alle andere mogelijkheden moeten zijn uitgeput op het moment dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. De kinderrechter ziet twee liefdevolle ouders die gemotiveerd zijn om zowel individueel als samen mee te werken aan de hulpverlening die nodig is om [voornaam minderjarige] een veilige opvoedomgeving te bieden. Voor een veilige hechting met beide ouders is het belangrijk dat [voornaam minderjarige] door de weeks bij zijn moeder blijft en in het weekend bij zijn vader en opa en oma. De kinderrechter hoopt dat de vader en de moeder op constructieve wijze en in het belang van [voornaam minderjarige] met elkaar blijven communiceren en dat de moeder de hulp vanuit Elckerlyc voldoende benut waardoor daadwerkelijke veranderingen gerealiseerd kunnen worden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025 door mr. H. Mol, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 4 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.