De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee jonge kinderen vanwege ernstige zorgen over hun ontwikkeling. De moeder kampt met psychische problemen en de vader met middelengebruik en psychische problematiek. De ouders wonen samen met de kinderen, maar tonen wisselend gedrag ten opzichte van hulpverlening, waardoor er onvoldoende zicht is op de thuissituatie.
De moeder voerde verweer dat de opvoeding momenteel goed verloopt en dat zij openstaat voor hulp, terwijl de vader niet aanwezig was bij de zitting. De kinderrechter concludeerde dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de problematiek van de ouders, die onvoldoende inzicht tonen in de situatie. De situatie is sinds juni 2025 verslechterd, onder meer door het wegvallen van contact met het Intensieve Hulpteam en het tijdelijk verlaten van het gezin door de vader.
De kinderrechter achtte een ondertoezichtstelling noodzakelijk maar beperkte de duur tot zes maanden om de thuissituatie te monitoren en de ouders de kans te geven vrijwillige hulp te accepteren. De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en de behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot een pro forma zitting op 1 mei 2026, waarbij een rapportage wordt verlangd over de stand van zaken.