ECLI:NL:RBROT:2025:14687

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11772609 VZ VERZ 25-4758
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en loonbetalingen in arbeidszaak tussen werknemer en werkgever

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijke kwestie tussen een werknemer, aangeduid als [verzoeker], en zijn werkgever, aangeduid als [verweerster]. De werknemer verzocht om een verklaring voor recht dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, en dat deze arbeidsovereenkomst voortduurt. De werknemer was in dienst getreden bij de eenmanszaak van [naam] en later bij [verweerster], die op 19 maart 2024 werd opgericht. De werknemer had zich op 25 april 2025 ziekgemeld en op 4 mei 2025 werd hem telefonisch meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd. De gemachtigde van de werknemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt, stellende dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was opgezegd en dat de werknemer recht had op doorbetaling van loon tijdens ziekte.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, ongeacht de bewering van de werkgever dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was. De rechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en dat de werknemer recht heeft op de gevorderde loonbedragen, inclusief vakantiebijslag en wettelijke verhogingen. De rechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen en de proceskosten, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De rechter heeft het verzoek van de werknemer om een voorlopige voorziening afgewezen, maar heeft de werkgever wel verplicht om aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11772609 VZ VERZ 25-4758
datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: Rotterdam,
verzoeker,
gemachtigde: mr. D.I.M. Pollaert,
tegen
[verweerster],
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
vertegenwoordigd door: [naam].
De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit het verzoekschrift van [verzoeker], ontvangen op 30 juni 2025, en de bijlagen.
1.2.
Op 4 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [verzoeker] en zijn gemachtigde en met [naam] voor [verweerster]

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoeker] is op 16 oktober 2017 in dienst getreden bij de eenmanszaak van [naam] (hierna: [naam]), handelend onder de naam [naam bedrijf], in de functie van taxichauffeur. Dat werk heeft hij tot 1 mei 2024 verricht voor de eenmanszaak van [naam] met de naam [naam eenmanszaak], tevens handelend onder de naam [verweerster], op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 19 maart 2024 is [verweerster] (verweerster) opgericht, met als activiteit vervoer per taxi / exploitatie van een taxibedrijf, en met [naam] als enig aandeelhouder en bestuurder. Op 1 mei 2024 is [verzoeker] desgevraagd in dienst getreden bij [verweerster]
2.2.
Op 25 april 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.3.
[naam] heeft [verzoeker] op 4 mei 2025 telefonisch meegedeeld dat zijn arbeidsovereen-komst op 1 mei 2025 van rechtswege is geëindigd.
2.4.
Bij (ook per e-mail verzonden) brief van 10 juni 2025 is de gemachtigde van [verzoeker] hiertegen opgekomen. Aan [verweerster] is - verkort weergegeven - te kennen gegeven dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en dat deze niet rechtsgeldig is opgezegd op 4 mei 2025, dat [verzoeker] zich beschikbaar houdt voor het verrichten van werk, maar ziek is en dat een bedrijfsarts moet worden ingeschakeld. Aanspraak is gemaakt op doorbetaling van loon tijdens ziekte conform de cao, bij uitblijven waarvan een procedure is aangekondigd, met dan tevens een vordering tot betaling van achterstallig loon.
2.5.
Op 10 juni 2025 heeft [naam] tijdens een telefoongesprek aan de gemachtigde van [verzoeker] meegedeeld dat [verzoeker] op 1 mei 2024 in dienst getreden is bij [verweerster] op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk tot 1 mei 2025. Tevens is meegedeeld dat [verzoeker] bij brief van 1 februari 2025 is voorgesteld de arbeidsovereenkomst na 1 mei 2025 te verlengen voor de duur van zes maanden, waarop niet tijdig is gereageerd, waardoor de arbeidsovereenkomst op 1 mei 2025 van rechtswege is geëindigd. Desgevraagd heeft [naam] de brief van 1 februari 2025 gemaild naar de gemachtigde van [verzoeker]. De gemachtigde van [verzoeker] heeft te kennen gegeven dat [verzoeker] die brief nooit ontvangen heeft. Partijen zijn er samen niet uitgekomen.
2.6.
[verzoeker] verzoekt - samengevat en zo de kantonrechter begrijpt - om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,
primair:
voor recht te verklaren dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft;
vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 4 mei 2025 of, als komt vast te staan dat geen sprake is geweest van een opzegging, voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst voortduurt;
voor recht te verklaren dat zijn loon op grond van de cao [1] dient te worden vastgesteld, zolang deze algemeen verbindend is verklaard en [verweerster] onder de werkingssfeer van deze cao valt;
4. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan hem van;
a) € 3.831,29 bruto aan loon over de periode van 1 mei 2025 tot en met
20 juni 2025;
b) € 2.586,12 bruto per maand, te weten 90% van zijn loon, vanaf 21 juni 2025 totdat hij weer arbeidsgeschikt is althans tot week 104 van zijn arbeidsongeschiktheid;
c) € 2.873,47 bruto per maand zodra hij weer arbeidsgeschikt is;
d) € 6.250,24 bruto aan te weinig uitbetaald loon over de periode van 1 juni 2024 tot 1 mei 2025, met verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
e) voormelde bedragen te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, overige emolumenten, de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW;
5. [verweerster] te veroordelen tot nakoming van haar re-integratieverplichtingen, waaronder het plannen van een consult bij de bedrijfsarts, en de verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter, met een dwangsom van
€ 250,- per dag met een maximum van € 5.000,-;
6. [verweerster] te veroordelen in de proceskosten;
subsidiair, als de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van:
1. bruto aan transitievergoeding;
2. € 2.873,47 bruto aan aanzegvergoeding;
Tevens verzoekt [verzoeker] om wat primair, onder 4, sub a, b, c en e (m.u.v. de wettelijke verhoging en de wettelijke rente) gevorderd is, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van deze procedure toe te kennen.
2.7.
[verweerster] is het hiermee niet eens.
Wat vindt de kantonrechter
Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
2.8.
Vastgesteld wordt dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Het verweer dat [verzoeker] met ingang van 1 mei 2024 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan voor de duur van één jaar, kan [verweerster] niet baten. Het verweer is niet onderbouwd en gemotiveerd weersproken door [verzoeker]. Er is geen op schrift gestelde arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [verzoeker]. Of partijen een tijdelijk dienstverband voor de duur van één jaar mondeling zijn overeengekomen, kan in het midden blijven, want gelet op wat [verzoeker] over de arbeidsrelatie naar voren heeft gebracht dient deze sowieso, ongeacht andersluidende afspraken tussen partijen, op grond van artikel 7:668a lid 2 BW te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verweerster] wordt namelijk aangemerkt als opvolger van de eenmanszaak [naam eenmanszaak], die zich overigens ook bedient van de naam Taxi [naam] & [naam]. De omstandigheid dat [naam eenmanszaak] nog steeds actief is, maakt dat niet anders, want aan het aannemen van opvolgend werkgeverschap staat niet in de weg dat de oude werkgever nog actief is. Van belang is dat [verzoeker] vanaf 1 mei 2024 dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten als hij voordien deed. Het doelgroepenvervoer dat hij eerst bij [naam eenmanszaak] deed, is hij desgevraagd voor [verweerster] blijven verrichten. Dat hij dit werk voor meer uren per week is gaan uitvoeren maakt geen verschil. De essentie van zijn werk is niet veranderd. Het werk voor [verweerster] vereist dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden als het werk voor [naam eenmanszaak]. [verzoeker] verzorgt het vervoer voor dezelfde (soort) klanten. Zelfs zijn baas is niet veranderd, want [naam] is hem blijven aansturen. Voor [naam eenmanszaak] heeft [verzoeker] al gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden en het bepaalde in de wet dient de arbeidsovereenkomst met [verweerster] dan ook te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De arbeidsovereenkomst duurt voort
2.9.
De arbeidsovereenkomst duurt voort, want is niet beëindigd. De telefonische mededeling van [naam] aan [verzoeker] tijdens het telefoongesprek op 4 mei 2025, dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou zijn geëindigd op 1 mei 2025 heeft niet dat effect gesorteerd, om de hierboven genoemde reden dat geen sprake is van een contract voor de duur van één jaar. De mededeling wordt niet als een (onregelmatige) opzegging van de arbeidsovereenkomst beschouwd, die vernietigd kan worden. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst die doorloopt, met alle verplichtingen van dien.
Toewijzing verzochte verklaringen van recht
2.10.
Gelet op het vorenstaande zullen de primair onder 1, 2 en 3 verzochte verklaringen voor recht worden gegeven.
Toewijzing loonbedragen en nevenverzoeken
2.11.
Het verzoek tot veroordeling van [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de primair onder 4 vermelde loonbedragen wordt eveneens toegewezen. Dat geldt ook voor de daarmee samenhangende verzoeken, op de wijze hieronder vermeld. De grondslag en hoogte van de loonbedragen zijn namelijk niet betwist. De nevenverzoeken ook niet. [verweerster] voert alleen aan dat zij volgens de cao niet het uurloon hoeft te betalen, omdat [verzoeker] veel aanrijdingen heeft. Dat verweer doet echter niet af aan het gestelde door [verzoeker] dat hem niet het loon is uitbetaald waarop hij op grond van de cao recht heeft, zowel vóór als na zijn uitval als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Wat [verweerster] aanvoert, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden gevolgd. Op grond van de wet [2] en de cao [3] kan schade, die de werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden toebrengt aan de werkgever of aan een derde tegenover wie de werkgever verplicht is schade te vergoeden, niet op de werknemer worden verhaald, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. [verweerster] voert niet aan dat [verzoeker] schade heeft veroorzaakt die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Onder omstandigheden kunnen wel boetes uit verkeersovertredingen worden ingehouden op het loon, maar gesteld noch gebleken is dat dit gebeurd is en het laat onverlet de aanspraak van [verzoeker] op betaling van het juiste loon. Schades en boetes kunnen in de weg staan aan het toekennen van de jaarlijkse tredeverhoging in de loonschaal [4] , maar ook ten aanzien hiervan geldt dat gesteld noch gebleken is dat [verweerster] van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
2.12.
Het verzoek tot uitbetaling van 8% vakantiebijslag wordt toegewezen voor zover het de opgebouwde vakantiebijslag over de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025 betreft. Omdat [verzoeker] geen bedrag heeft genoemd, wordt het op die manier toegewezen. Als [verweerster] de vakantiebijslag over deze periode al heeft uitbetaald, hoeft zij uiteraard niet nogmaals te betalen. [verweerster] wordt niet veroordeeld tot betaling van de vakantiebijslag die vanaf 1 mei 2025 wordt opgebouwd, want doorgaans wordt dit uitbetaald in de maand mei. Dat is ook zo in de taxibranche [5] . [verzoeker] heeft niet toegelicht waarom dat in zijn geval anders moet zijn.
2.13.
Voor zover [verweerster] te laat is met de betaling van de loonbedragen en de vakantiebijslag die worden toegewezen, is er reden om de daarmee gemoeide bedragen te verhogen op grond van artikel 7:625 BW. Omdat [verweerster] te kennen heeft gegeven weinig financiële draagkracht te hebben, wordt de verhoging beperkt tot 10% van de bedragen. Daarbij wordt opgemerkt dat de verhoging slechts wordt toegekend over de bedragen die al verschuldigd zijn geworden, te weten het loon tot en met de maand oktober 2025 en de vakantiebijslag, dus niet over toekomstige (loon)bedragen.
Nakoming re-integratieverplichtingen?
2.14.
Het verzoek om [verweerster] te veroordelen tot nakoming van haar re-integratieverplichtingen en de verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter, wordt afgewezen. Met voormeld oordeel over het voortduren van het dienstverband tussen partijen is voor [verweerster] nu pas duidelijk geworden dat zij nog een zieke werknemer heeft in de persoon van [verzoeker] en dus wettelijke verplichtingen heeft ten opzichte van hem. Geen reden wordt gezien om er op voorhand vanuit te gaan dat [verweerster] die verplichtingen niet zal nakomen. In dat geval loopt [verweerster] het risico een loonsanctie opgelegd te krijgen. Daarom is de gevraagde veroordeling met een dwangsom niet nodig.
Het subsidiaire verzoek blijft onbesproken
2.15.
Gelet op de toewijzing van het primaire verzoek, kan het subsidiaire verzoek onbesproken blijven.
Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening
2.16.
Bij deze stand van zaken wordt het verzoek van [verzoeker] om een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van deze procedure afgewezen.
Proceskosten
2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster], omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.039,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.18.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard [6] . Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat:
1. [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft;
2. dat de arbeidsovereenkomst voortduurt;
3. dat zijn loon op grond van de cao dient te worden vastgesteld, zolang deze algemeen verbindend is verklaard en [verweerster] onder de werkingssfeer van de cao valt;
3.2.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van:
1. bruto aan loon over de periode van 1 mei 2025 tot en met 20 juni 2025;
2. € 2.586,12 bruto per maand, te weten 90% van zijn loon, vanaf 21 juni 2025 totdat hij weer arbeidsgeschikt is, althans tot week 104 van zijn arbeidsongeschiktheid;
3. € 2.873,47 bruto per maand aan loon zodra hij weer arbeidsgeschikt is;
4. € 6.250,24 bruto aan te weinig uitbetaald loon over de periode van 1 juni 2024 tot 1 mei 2025, met verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
5. het bedrag aan opgebouwde vakantiebijslag over de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025;
6. 10% aan wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW over de bedragen vermeld onder 1, 2 (over het loon tot en met oktober 2025), 4 en 5;
7. de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over genoemde bedragen, vanaf de data waarop [verweerster] in verzuim is komen te verkeren met de betaling daarvan tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.039,-;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.De cao Zorgvervoer en Taxi, thans die van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2025, (hierna: de cao)
2.Artikel 7:661 BW
3.Artikel 1.9.7 cao
4.Artikel 3.6.2 cao
5.Artikel 3.12.1 cao
6.Artikel 288 Rv