ECLI:NL:RBROT:2025:14634

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/10/707472 / JE RK 25-2000
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

Op 3 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd tot 8 december 2026, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing van twee van de minderjarigen in een gezinshuis en de derde minderjarige in een pleeggezin. De kinderrechter heeft het verzoek van de moeder om een contra-expertise afgewezen, omdat de kinderen gebaat zijn bij rust en duidelijkheid. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar zijn niet in staat om zelfstandig voor de kinderen te zorgen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd worden en dat hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team jeugd
Zaaknummer: C/10/707472 / JE RK 25-2000
Datum uitspraak: 3 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Ching, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. van der Stel, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 september 2025;
- het toetsingsbesluit van de Raad van 23 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [persoon C] en [persoon D] , de gezinshuisouders van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . Tevens heeft de kinderrechter ter zitting bijzondere toegang verleend aan [persoon E] , de pleegmoeder van [voornaam minderjarige 1] .
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover, ieder afzonderlijk, op een ander tijdstip dan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Zoals afgesproken heeft de kinderrechter [voornaam minderjarige 1] telefonisch op de hoogte gebracht van de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verlengd tot 8 december 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 november 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 8 december 2025. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 8 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en verzoekt de rechter het perspectiefbesluit te bekrachtigen. De GI acht een nieuw onderzoek naar het perspectief van de kinderen niet in het belang van de kinderen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voor de duur van een jaar. De moeder is blij met de hulpverlening van de GI. Namens de moeder wordt wel verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor een kortere duur dan een jaar. De moeder is erg trots op haar kinderen en zou hen het liefst weer thuis hebben wonen. De moeder verzoekt daarom ook een contra-expertise. De moeder is van mening dat het KSCD-onderzoek gedateerd is. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de huidige situatie en de positieve ontwikkeling die de moeder heeft doorgemaakt. Het gaat beter met de moeder en dit wordt ook bevestigd door haar begeleiding. De moeder stelt dat een contra-expertise niet belastend is voor de kinderen.
4.3.
Door en namens de vader wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De vader is positief over de betrokkenheid van de GI. Zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] zitten momenteel op de juiste plek. De vader refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Hoewel de ouders aangeven zeer bereid zijn tot medewerking, is het ondanks langdurige inzet van diverse hulpverlening niet gelukt om hun opvoedvaardigheden voldoende te ontwikkelen. Vaststaat inmiddels dat de ouders niet in staat zijn om zelfstandig voor de kinderen te zorgen. De kinderrechter acht hulpverlening in een gedwongen kader, door middel van een ondertoezichtstelling van de kinderen, noodzakelijk om het gezin passende hulp en ondersteuning te blijven bieden en om de belangen en de ontwikkeling van de kinderen verder te waarborgen. Alle betrokkenen stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de verzochte duur van een jaar.
5.3.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.4.
[voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven sinds november 2023 in een gezinshuis, samen met hun halfzusje [naam halfzusje] . [voornaam minderjarige 1] verblijft sinds november 2023 bij een pleeggezin. Alle drie de kinderen hebben sinds de uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling doorgemaakt. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] zitten op hun plek in het gezinshuis. Het is daarom belangrijk dat het perspectief van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] bepaald wordt in het gezinshuis. Ook [voornaam minderjarige 1] zit op zijn plek, bij pleegmoeder [persoon E] . Het perspectief van alle drie de kinderen ligt niet langer bij de ouders thuis. Het is belangrijk dat dit duidelijk is voor de kinderen en de ouders. Dit betekent uiteraard niet dat de ouders geen contact (meer) kunnen hebben met de kinderen. Het is voor de ontwikkeling van de kinderen immers juist belangrijk dat het contact en de omgang met de ouders op een fijne en regelmatige manier wordt onderhouden. De ouders zijn beiden belangrijk voor de kinderen. De kinderrechter ziet dat de kinderen veel volwassenen om hen heen hebben die veel om hen geven. Ondanks alle spanningen en verdriet van het verleden, boffen zij daarmee. Zij verdienen het alle drie dat zij op een fijne manier kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot gelukkige, stabiele volwassenen. Daarom is het belangrijk dat het voor de kinderen duidelijk is dat zij kunnen opgroeien op de plek waar zij momenteel zitten.
5.5.
Een machtiging tot uithuisplaatsing is vanwege deze situatie nodig. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van een jaar. De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een pleeggezin voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van een contra-expertise
5.6.
De moeder stelt zich op het standpunt dat een contra-expertise tot een andere conclusie zou kunnen leiden, nu het KSCD-onderzoek geen rekening heeft gehouden met de positieve ontwikkeling van de moeder. De kinderrechter wijst het verzoek tot een contra-expertise af. De kinderen zijn gebaat bij rust en duidelijkheid. Hoewel de moeder een positieve ontwikkeling zegt te hebben doorgemaakt, wordt er niet aan het vereiste voldaan dat de feiten en omstandigheden zich voldoende lenen voor een nieuw onderzoek door deskundigen. Het belang van de kinderen gaat hier, op basis van artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag voor op het belang en de wens van moeder: De kinderen zijn gebaat bij de wetenschap dat zij kunnen opgroeien op de plek waar zij momenteel verblijven.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] tot 8 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een gezinshuis tot 8 december 2026;
6.3.
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een pleeggezin (van pleegmoeder [persoon E] ) tot 8 december 2026;
6.4.
wijst het verzoek om contra-expertise van de moeder af;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.