ECLI:NL:RBROT:2025:14537

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/10/696098 / JE RK 25-538
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vaststelling omgangsregeling voor minderjarige

Op 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de minderjarige [voornaam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020, in het kader van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en de vaststelling van een omgangsregeling. De kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond als belanghebbende aangemerkt, evenals de moeder van de minderjarige, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. V.K.S. Deetman. De procedure omvatte een zitting met gesloten deuren, waarbij de moeder en haar advocaat aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van de GI en een beëdigd tolk in de Engelse taal, aangezien de moeder de Nederlandse taal niet machtig is.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder belast is met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige], die momenteel in een pleeggezin verblijft. De machtiging tot uithuisplaatsing was eerder verlengd en de GI heeft verzocht om deze opnieuw te verlengen, evenals de ondertoezichtstelling van de minderjarige. De moeder heeft verzocht om afwijzing van het verzoek van de GI en heeft een contactregeling voorgesteld. De kinderrechter heeft de positieve ontwikkeling van de moeder erkend, maar ook de zorgen over het gedrag van [voornaam minderjarige] en de stabiliteit van de thuissituatie.

Uiteindelijk heeft de kinderrechter besloten de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 15 februari 2026 en een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, waarbij de GI de regie houdt over de verdere uitbreiding van de omgang. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De zaak zal op 4 februari 2026 opnieuw worden behandeld, waarbij de GI, de moeder en haar advocaat worden opgeroepen om te verschijnen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team jeugd
Zaaknummer: C/10/696098 / JE RK 25-538
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vaststelling omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. V.K.S. Deetman, kantoorhoudende te Dordrecht.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 14 mei 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 15 september 2025;
  • het gezinsplan van de GI van 26 september 2025;
  • de (aanvullende) verslagen en hulpverleningsplannen van de GI, ontvangen op 9 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de moeder, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 21 oktober 2025.
1.2.
Op 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Engelse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. P. Berry tolk in de Engelse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 9 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 15 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van 14 mei 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 15 november 2025 en is de beslissing voor het overige aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Hierop is reeds beslist. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. Over de periode tot 15 november 2025 is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 15 mei 2026.

4.Het zelfstandige verzoek

4.1.
De moeder verzoekt primair het aangehouden verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder, indien de kinderrechter oordeelt dat het resterende deel dient te worden toegewezen, navolgende contactregeling op te leggen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Dat moeder en [voornaam minderjarige] vanaf 28 oktober 2025 elkaar tweemaal per week door de week zien voor de duur van 3 uren per dag, na school en eenmaal in het weekend gedurende een gehele dag (zaterdag of zondag) gedurende drie weken en na die drie weken de regeling zal worden uitgebreid naar een geheel weekend en [voornaam minderjarige] na drie weken thuis zal worden geplaatst dan wel zodanige contactregeling en maatregel als de kinderrechter juist acht.

5.De standpunten

5.1.
De GI handhaaft ter zitting het aangehouden verzoek en licht dit als volgt toe. De GI erkent dat de moeder is gegroeid. Dat is zeker een positieve ontwikkeling. De moeder geeft meer openheid en is begonnen met therapie. De grootste zorg van de GI ligt in het gedrag van [voornaam minderjarige] . Dit is ook de reden geweest dat [voornaam minderjarige] in september 2025 is overgeplaatst naar een ander crisispleeggezin. Het lukte de pleegouders niet meer om [voornaam minderjarige] sturing te geven. De GI is mogelijkheden aan het onderzoeken om de huidige pleegouders te ondersteunen, zoals buitenschoolse opvang. Daarnaast is het pleeggezin aangesloten bij Mockingbird van Enver, waardoor zij kunnen terugvallen op andere pleeggezinnen op het moment dat de zorg over [voornaam minderjarige] te zwaar wordt. Voorkomen moet worden dat [voornaam minderjarige] opnieuw overgeplaatst moet worden. [voornaam minderjarige] is aangemeld voor diagnostiek en de GI is voornemens om [voornaam minderjarige] en de moeder aan te melden voor een gezinsopname. De GI wil een mislukte thuisplaatsing bij de moeder voorkomen en tot een terugplaatsing overgaan nadat de gezinsopname is afgerond. De GI erkent dat dit lang zal duren. Door het gedrag van [voornaam minderjarige] en de instabiliteit in de opvoedingssituatie van [voornaam minderjarige] , is de omgang met de moeder in de afgelopen maanden beperkt uitgebreid. De jeugdbeschermer heeft een uitbreiding van de omgang, om op deze manier ook de pleegouders te ontlasten, intern besproken. Hoewel er sprake is van een liefdevolle band tussen [voornaam minderjarige] en de moeder, maakt de GI zich grote zorgen over de schade bij [voornaam minderjarige] die een te snelle uitbreiding van de omgang met zich mee kan brengen op het moment dat het niet goed gaat bij de moeder thuis. Tegelijkertijd erkent de GI, desgevraagd door de kinderrechter, dat de overplaatsing naar een ander pleeggezin ook schadelijk is geweest voor [voornaam minderjarige] . Over het weekplan, zoals de moeder in het verweerschrift heeft voorgesteld, brengt de GI het volgende naar voren. De tante en de oma moederszijde zijn behulpzame mensen die het beste willen voor [voornaam minderjarige] en moeder, maar de GI maakt zich zorgen over de frictie die kan ontstaan tussen de betrokkenen. De moeder kan boos worden en hierbij alle hulp afhouden en uit het contact gaan. Om zekerheid te bieden, zou het plan vastgelegd moeten worden door de kinderrechter. In reactie op de moeder, geeft de GI aan dat zij in overleg zal gaan met NIKA en Pameijer om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het NIKA-traject in gang te zetten op een dag dat [voornaam minderjarige] bij de moeder is.
5.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verzocht om afwijzing van het aangehouden verzoek van de GI. Mocht de kinderrechter het aangehouden gedeelte van het verzoek van de GI toewijzen, verzoekt de moeder subsidiair om een uitbreiding van de omgang zoals is voorgesteld in het verweerschrift van 21 oktober 2025. De moeder doet er alles aan om ervoor te zorgen dat [voornaam minderjarige] weer naar huis kan komen. [voornaam minderjarige] wil dit ook graag. De moeder heeft het huis en haar financiën op orde, heeft een baan en staat open voor de hulpverlening. [voornaam minderjarige] heeft een eigen kamer bij de moeder met onder andere een bed, kleding en speelgoed. Daarnaast heeft de moeder al lange tijd geen contact meer met haar ex-partner. De band tussen de moeder en [voornaam minderjarige] blijft groeien. De tante en de oma moederszijde staan klaar om de moeder te ondersteunen in de opvoeding van [voornaam minderjarige] , zoals ook blijkt uit het ingediende weekschema. De overplaatsing van [voornaam minderjarige] naar een ander pleeggezin is schadelijk geweest en het is een gemiste kans dat de omgang met de moeder in de afgelopen maanden niet verder is uitgebreid. De moeder is gestart met een vervolg op het NIKA-traject. Een NIKA ouderbegeleider komt bij de moeder thuis en het zou fijn en zinvol zijn als ook [voornaam minderjarige] hierbij betrokken kan worden.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
6.2.
In de afgelopen maanden heeft de moeder de ingezette positieve ontwikkeling verder voortgezet. De moeder is gemotiveerd voor de hulpverlening en individuele therapie en geeft openheid hierover naar de jeugdbeschermer. Zij gaat de samenwerking met hulpverlening aan en heeft een betrokken eigen netwerk dat zich wil inzetten voor [voornaam minderjarige] en de moeder. Daarnaast heeft de moeder haar thuissituatie en financiën onweersproken op orde. Tegelijkertijd zijn er nog grote zorgen over [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] kampt met trauma- en hechtingsproblematiek en vertoont zorgelijk gedrag. Als gevolg hiervan is [voornaam minderjarige] op 11 september 2025 overgeplaatst naar een ander pleeggezin. De GI is van mening dat er nog onvoldoende sprake is van stabiliteit in de thuissituatie bij de moeder en acht een gezinsopname noodzakelijk, alvorens overgegaan kan worden naar een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De moeder is van mening dat zij inmiddels wel zelf in staat is om de verzorging en opvoeding over [voornaam minderjarige] op zich te nemen en, indien naar het oordeel van de kinderrechter een thuisplaatsing nog niet mogelijk is, in elk geval de omgang met [voornaam minderjarige] fors uitgebreid dient te worden zodat zij beiden steeds meer naar elkaar kunnen toegroeien.
6.3.
De kinderrechter staat voor de afweging wat het meest in het belang is van [voornaam minderjarige] . Naar de kinderrechter heeft begrepen was de recente overplaatsing van [voornaam minderjarige] naar een nieuw (crisis)pleeggezin noodzakelijk omdat nieuwe pleegkinderen in haar pleeggezin kwamen wonen, hetgeen voor [voornaam minderjarige] te ingewikkeld bleek. Nu verblijft zij, zo werd duidelijk ter zitting, op een voor haar (nog) niet passende plek in een nieuw crisispleeggezin en is onduidelijk hoe lang zij aldaar kan verblijven. Het feit dat de pleegouders gebruik zouden kunnen maken van het Mockingbird vangnet is uiteraard fijn ter ontlasting van de pleegouders, maar zou voor de nog heel jonge [voornaam minderjarige] wederom nieuwe gezichten betekenen. De wetenschappelijke inzichten over de schade die kinderen kunnen oplopen in situaties zoals nu voor [voornaam minderjarige] speelt, zorgen ervoor dat de kinderrechter zich grote zorgen maakt over [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] is immers pas vijf jaar oud, heeft al veel meegemaakt en dient beschermd te worden tegen het oplopen van verdere schade. Tegelijkertijd is de kinderrechter van oordeel dat een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment te vroeg is. De huidige omgang is immers nog beperkt en een volledige thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] zal voor zowel [voornaam minderjarige] als de moeder een te grote overgang zijn. [voornaam minderjarige] en de moeder hebben tijd nodig om aan elkaar te wennen en de situatie te laten stabiliseren. Ook het eigen netwerk zal hierin een bijdrage kunnen leveren. Mede gelet op de problematiek van [voornaam minderjarige] dient bij dit alles zorgvuldig te worden omgegaan.
6.4.
De kinderrechter is het met de moeder en haar advocaat eens dat er in de afgelopen tijd te weinig is ingezet op uitbreiding van de omgang. [voornaam minderjarige] geniet van het contact met haar moeder. De moeder heeft grote stappen voorwaarts gezet en doet er alles aan om de zorg over [voornaam minderjarige] weer op zich te kunnen nemen. Met het voorgestelde weekplan laat de moeder zien dat zij heeft nagedacht over de stappen die gezet moeten worden voor een verantwoorde thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . De moeder ziet hierbij ook in dat zij ondersteuning nodig heeft van haar netwerk en dat het belang van [voornaam minderjarige] daarmee wordt gediend. Ook is duidelijk dat de moeder de samenwerking met de GI en hulpverlening, zoals NIKA en Pameijer, naar behoren aangaat. De kinderrechter complementeert de moeder hiervoor.
6.5.
Alles afwegend, is de kinderrechter van oordeel dat de omgang van [voornaam minderjarige] en de moeder uitgebreid moet worden. Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek acht de kinderrechter het vaststellen van een contactregeling tussen [voornaam minderjarige] en de moeder in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk. De kinderrechter legt daarom de hieronder beschreven regeling vast. [voornaam minderjarige] kan zo wennen aan en naar de kinderrechter hoopt genieten van langer contact met moeder en leren vertrouwen dat dat contact ook conform de afspraken verloopt. De moeder heeft daartoe op de zitting bevestigd dat zij duidelijk zal zijn naar [voornaam minderjarige] en niet aan haar zal “trekken”.
6.6.
De kinderrechter geeft de GI en de moeder tevens mee dat het in het belang van [voornaam minderjarige] lijkt om de voortgezette NIKA-aanpak bij de moeder thuis juist te laten plaatsvinden als [voornaam minderjarige] bij de moeder is, zoals ook besproken ter zitting. Hiermee kunnen de moeder en [voornaam minderjarige] beiden leren van de aanwijzingen.
6.7.
Deze regeling zal, naar de kinderrechter hoopt, ertoe bijdragen dat de pleegouders (in ieder geval even) worden ontlast in de zorg en dat de moeder de kans grijpt om te laten zien dat zij, met ondersteuning van haar netwerk, in staat is om de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] op termijn weer op zich te kunnen nemen.
De kinderrechter verwacht hierbij van de moeder dat zij zich houdt aan de afspraken, ook die gemaakt in het weekplan, en in contact blijft met de jeugdbeschermer.Hierbij ligt ook een taak weggelegd voor de moeder om op tijd bij de jeugdbeschermer aan te geven als het even niet goed gaat of er andere zorgen zijn. [voornaam minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt en dient immers niet verder beschadigd te worden.
6.8.
Gelet op het bovenstaande wijst de kinderrechter het meer of anders verzochte namens de moeder af.
6.9.
Om te bezien wat over enkele maanden de stand van zaken is en om een vinger aan de pols te houden wat betreft het verloop van de omgang, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, te weten voor de duur van drie maanden. De beslissing op het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
6.10.
De kinderrechter verzoekt de GI om
uiterlijk twee wekenvoor de hierna te noemen zittingsdatum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder en mr. V.K.S. Deetman) omtrent de dan huidige stand van zaken, waaronder het verloop van de omgang, en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
6.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [voornaam minderjarige] :
[voornaam minderjarige] verblijft een dag in de week bij de moeder, waarbij de regie bij de GI ligt om te bepalen op welk moment dit uitgebreid wordt met een overnachting. Zodra mogelijk, passend in het belang van [voornaam minderjarige] , kan de GI deze omgangsregeling verder uitbreiden.
7.2.
wijst het meer of anders verzochte namens de moeder af;
7.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 februari 2026;
7.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7.5.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en mr. V.K.S. Deetman op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.P.G. Rietbergen van de
rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 4 februari 2026 om 14:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
7.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
7.7.
verzoekt de GI de kinderrechter voor genoemde datum (met afschrift daarvan aan de moeder en mr. V.K.S. Deetman) de sub 6.10. verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. van Geest als griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.