Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij zij een akkoord aanbood aan haar schuldeisers met een betaling van circa 2,2% tot 4,5% van de vorderingen. Vijfenveertig schuldeisers stemden in, maar vijf schuldeisers, waaronder Otto Postorders en Havensteder, weigerden.
De rechtbank beoordeelde of deze schuldeisers in redelijkheid tot weigering konden komen, waarbij werd meegewogen dat het aangeboden akkoord gebaseerd was op een PW-uitkering en een saneringskrediet met een afloscapaciteit van €65 per maand. Tijdens de zitting bleek dat verzoekster inmiddels een betaalde baan van 28 uur per week heeft en er geen medische stukken zijn die arbeidsongeschiktheid aantonen.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is wat verzoekster kan bieden, mede omdat zij mogelijk meer uren kan werken. De belangen van de weigeraars wegen daarom zwaarder dan die van verzoekster en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen.