De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij de omgang tussen de moeder en de minderjarige één uur per vier weken zou bedragen, begeleid door Youth Care. Dit verzoek was gebaseerd op artikel 1:265g, eerste lid, BW en had tot doel de huidige schriftelijke aanwijzing, die tijdens de ondertoezichtstelling gold, ook na afloop daarvan te laten voortduren.
De moeder voerde verweer tegen het verzoek en stelde onder meer dat er geen wijziging van omstandigheden was en dat de GI mogelijk niet ontvankelijk was. De pleegouders steunden het verzoek van de GI en gaven aan dat de minderjarige structuur en rust nodig heeft.
De kinderrechter overwoog dat de schriftelijke aanwijzing door het Hof op 1 oktober 2025 was bekrachtigd en dat deze regeling tot het einde van de ondertoezichtstelling op 18 april 2026 geldt. Omdat de GI wilde dat de regeling ook daarna zou gelden, was het verzoek ontvankelijk. Echter, inhoudelijk was onvoldoende onderbouwd waarom het belang van de minderjarige vereist dat de omgang na afloop van de ondertoezichtstelling beperkt blijft tot één keer per vier weken. De kinderrechter achtte het verzoek daarom niet noodzakelijk en niet in het belang van de minderjarige.
De huidige omgangsregeling, bekrachtigd door het Hof, blijft van kracht tot het einde van de ondertoezichtstelling. De GI zal de omgangsregeling halfjaarlijks evalueren en indien nodig aanpassen. Het verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling wordt daarom afgewezen.