Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:14441

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/10/705067 / HA RK 25-810
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 e.v. CLNI 2012Art. 8:1060 e.v. BWArt. 12 CLNI 2012Art. 642a lid 1 RvArt. 6 lid 1 CLNI 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot beperking aansprakelijkheid motorbinnenschip Levante na aanvaring sluisdeur

Op 18 februari 2025 kwam het motorbinnenschip Levante in aanraking met de sluisdeur van de noordkolk van de Prinses Máxima Sluizen in Lith. De eigenaresse, Levante Barging B.V., en haar verzekeraar E.O.C. Onderlinge Schepenverzekering U.A. verzochten de rechtbank om beperking van hun aansprakelijkheid op grond van het CLNI 2012 en titel 8.12 BW.

De rechtbank stelde vast dat zowel de eigenaresse als de verzekeraar tot de kring van gerechtigden voor aansprakelijkheidsbeperking behoren. De aansprakelijkheid werd voorshands beperkt tot een bedrag van SDR 1.179.777,60, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 februari 2025 tot het moment van storten van het fonds. Tevens werd een procedurefonds van €7.500 vastgesteld voor de kosten van de vereffenaar.

De rechtbank wees de verzoeksters aan om het zakenfonds uiterlijk 18 november 2025 te storten in de consignatiekas van het Ministerie van Financiën. Daarnaast werd een rechter-commissaris benoemd en een vereffenaar aangesteld voor de verdere afhandeling van de procedure. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en werd op 8 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank beperkt de aansprakelijkheid van Levante Barging B.V. en haar verzekeraar tot SDR 1.179.777,60 plus wettelijke rente en wijst het verzoek tot het stellen van een zakenfonds toe.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Handel & Haven
binnenschip “Levante” (zakenfonds)
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/705067 / HA RK 25-810
Beschikking van 8 oktober2025
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEVANTE BARGING B.V.,
gevestigd te Raamsdonkveer,
2. de onderlinge waarborgmaatschappij
E.O.C. ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,
gevestigd te Meppel,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: verzoeksters, en afzonderlijk: LB en EOC,
advocaat: mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van het op 13 augustus 2025 bij de rechtbank ontvangen verzoekschrift met tien bijlagen.
1.2.
De rechtbank heeft een datum voor de mondelinge behandeling bepaald. De griffier heeft verzoeksters en de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden voor die mondelinge behandeling opgeroepen.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 oktober 2025. Op de mondelinge behandeling is naast verzoeksters geen van de bekende belanghebbenden verschenen.
Namens de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende Heesen Yachts Builders B.V. en Heesen Yachts Sales B.V. heeft advocaat mr. N. van Hal op 24 september 2025 de rechtbank bericht dat zij niet aanwezig zullen zijn bij deze mondelinge behandeling en dat zij zich refereren aan het oordeel van de rechtbank.
Namens de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende Rijkswaterstaat heeft advocaat mr. D.H. van Tuijn-Westrik op 24 september 2025 eveneens bericht dat deze niet aanwezig zal zijn bij deze mondelinge behandeling en dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Bij de rechtbank zijn geen andere belanghebbenden bekend.
1.4.
Op de mondelinge behandeling is de datum voor de beschikking bepaald.
1.5.
Van het verhandelde op de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2. De beoordeling
2.1.
Het verzoek strekt tot het vaststellen van het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van verzoekers op grond van artikel 1 e.v. CLNI 2012 [1] , dan wel artikel 8:1060 e.v. BW ter zake van zaakschade voorshands is beperkt en tot het bevel dat tot een procedure ter verdeling van het te stellen fonds zal worden overgegaan, ter zake van het op 18 februari 2025 in aanraking komen van het motorbinnenschip “Levante” met de sluisdeur(en) van de noordkolk van de Prinses Máxima Sluizen in Lith, gemeente Oss (hierna: het voorval).
2.2.
LB, de eigenaresse van het motorschip “Levante”, zoals blijkt uit het door verzoeksters overgelegde uittreksel uit het kadaster, en EOC, de verzekeraar van dat schip, zijn beide in Nederland gevestigd. Zij worden voor zover bekend door twee Nederlandse partijen aansprakelijk gehouden voor de geleden schade in verband met de aanvaring tegen de ophaalbrug. Deze rechtbank is daarom bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 12 CLNI Pro 2012 en 642a lid 1 Rv. Dit is ook niet in geschil.
2.3.
LB behoort als eigenaresse van het motorschip “Levante” tot de kring van tot beperking van aansprakelijkheid gerechtigde personen in de zin van artikel 1 lid 1 CLNI Pro 2012 dan wel artikel 8:1060 lid 1 BW Pro.
EOC behoort als verzekeraar van de “Levante” tot de kring van tot beperking van aansprakelijkheid gerechtigde personen in de zin van artikel 1 lid 5 CLNI Pro 2012 dan wel artikel 8:1061 lid 2 BW Pro.
2.4.
Verzoeksters worden door de bekende belanghebbenden aansprakelijk gehouden voor vorderingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a en Pro c CLNI 2012 of artikel 8:1062 lid 1 sub a en Pro c BW.
2.5.
Verzoeksters stellen dat het laadvermogen van de “Levante” 1.698,888 mt is en dat het voortstuwingsvermogen 1.200 kW bedraagt. Deze gegevens worden bevestigd in de door verzoeksters overgelegde meetbrief van het schip.
Verzoeksters stellen dat hun aansprakelijkheid voor schadevergoedingsvorderingen die voortvloeien uit het voorval, waaronder die van de bekende belanghebbenden, kan worden beperkt tot SDR 1.179.777,60 op grond van artikel 6 lid 1 aanhef Pro onder b en onder a sub ii CLNI 2012 dan wel artikel 8:1065 BW Pro en artikel 1 lid 1 onder Pro c en onder a sub 2 en onder c van het Besluit. [2]
De bekende belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek van verzoeksters met betrekking tot de beperking van aansprakelijkheid voor het voorval. Evenmin is verweer gevoerd tegen de berekening van het te stellen zakenfonds zoals opgenomen in het verzoekschrift.
De rechtbank acht de in het verzoekschrift gevolgde berekening van het zakenfonds juist.
2.6.
Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voor vorderingen waarvoor beperking wordt verzocht voorshands is beperkt (de omvang van het te vormen zakenfonds), beloopt derhalve SDR 1.179.777,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, derhalve 19 februari 2025, tot en met de dag volgende op de dag waarop het fonds zal zijn gesteld (artikel 6 lid 1 aanhef Pro onder b CLNI 2012, dan wel artikel 8:1065 BW Pro en artikel 1 lid 1 sub a en Pro sub c van het Besluit, beide zoals geldend tot 1 maart 2025). De genoemde rekeneenheid SDR is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds (IMF), naar de koers van de dag van het stellen van het fonds om te rekenen in euro’s volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
2.7.
Verzoeksters hebben medegedeeld het zakenfonds te willen vormen door storting in de consignatiekas.
Verzoeksters moeten bij storting in de consignatiekas een kopie van deze beschikking sturen aan:
Ministerie van Financiën
t.a.v. de Consignatiekas
Postbus 20201
2500 EE Den Haag
e-mail: consignatiekas@minfin.nl
De rechtbank zal aan verzoeksters een deze beschikking begeleidende brief verschaffen over de praktische afhandeling van de storting in de Consignatiekas.
2.8.
Tot zover voldoen de verzoeken aan de wettelijke vereisten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verzoeksters een zakenfonds moeten stellen tot het in 2.6 bedoelde totaal beloop, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 4 van Pro het Besluit vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, oftewel 19 februari 2025, tot en met de dag waarop het zakenfonds zal zijn gesteld.
2.9.
Ingevolge artikel 642c lid 2, aanhef en onder a Rv dient de verzoeker tot beperking van aansprakelijkheid ook fonds te stellen ter bestrijding van de kosten van de procedure. Het gaat daarbij om de kosten van en de vergoeding voor de te benoemen vereffenaar. Ingevolge artikel 642z Rv komen zodanige kosten als deel van de kosten van de procedure ten laste van de schuldenaar.
Verzoeksters hebben op de mondelinge behandeling voorgesteld om af te zien van zodanige fondsstelling, aanvoerende dat EOC een verzekeraar is en zij daarom geacht mag worden haar verplichtingen tot betaling van die kosten na te komen, zodat zekerheidstelling
daarvoor niet nodig is.
De rechtbank volgt verzoeksters niet in hun betoog, om de volgende redenen.
De verplichting om de kosten van de procedure te betalen rust op de schuldenaar, niet op de verzekeraar van de schuldenaar of van het schip. Ten aanzien van LB, de schuldenaar, kan niet zonder meer worden aangenomen dat deze steeds bereid en in staat zal blijven om die kosten te betalen.
Daar komt bij, dat deze wettelijke regeling ervan uitgaat dat deze kosten door de rechtbank worden vastgesteld en vervolgens ten laste van de schuldenaar gebracht. Dat brengt mee dat de vereffenaar telkens een declaratie moet sturen aan de rechtbank en dat deze vervolgens een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing daarover geeft. De praktijk bij procedures tot beperking van aansprakelijkheid is, echter, dat de vereffenaar zijn vergoeding en kosten, telkens wanneer deze een bepaald bedrag te boven gaan, rechtstreeks declareert bij de verzoeker en dat deze die declaraties rechtstreeks betaalt. De rechter-commissaris houdt marginaal toezicht op die declaraties. Die praktijk is meer praktisch en bespaart werk. In de praktijk vormt het fonds ter bestrijding van de kosten van de procedure dan ook slechts een reservefonds voor het geval de declaraties van de vereffenaar onbetaald mochten blijven. Op de voet van de gangbare praktijk zal de rechtbank het fonds ter bestrijding van de kosten van de procedure vaststellen op € 7.500.
2.10.
De rechtbank zal een rechter-commissaris aanwijzen en een vereffenaar benoemen.
2.11.
Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van verzoeksters ter zake van de zaakschade in verband met het in 2.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 1.179.777,60, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, derhalve 19 februari 2025, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;
3.2.
bepaalt dat verzoeksters uiterlijk op 18 november 2025 fonds moeten stellen voor het beloop van het in 3.1 genoemde bedrag aan hoofdsom en rente door dat totaalbedrag te storten in de Consignatiekas van het Ministerie van Financiën, alsmede een bedrag van € 7.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure;
3.3.
wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. W.P. Sprenger;
3.4.
benoemt tot vereffenaar van het fonds [naam], [postadres], info@schoutens.nl.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.
3718/1928

Voetnoten

1.Verdrag van Straatsburg van 27 september 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), Trb. 2013, 72
2.Koninklijk Besluit van 29 november 1996, Stb. 1996, 587, gewijzigd bij Besluit van 13 maart 2018 ter uitvoering van het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart Stb. 2018, 128.