ECLI:NL:RBROT:2025:14417

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/4782
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van huurappartementen in Schiedam met betrekking tot parkeerbehoefte en ruimtelijke ordening

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de verlening van een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor het realiseren van zeven huurappartementen in Schiedam. Eisers, eigenaren van nabijgelegen woningen, hebben beroep ingesteld tegen de vergunningverlening, omdat zij van mening zijn dat de berekende parkeerbehoefte niet voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college van burgemeester en wethouders onvoldoende heeft gemotiveerd dat de parkeerbehoefte adequaat is berekend. De rechtbank oordeelt dat de berekening van de parkeerbehoefte niet in overeenstemming is met de geldende beleidsregels en dat er een motiveringsgebrek is. Hierdoor is het beroep van eisers gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de parkeerbehoefte opnieuw moet worden berekend en gemotiveerd. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] & [eiser 2] , uit [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. C.H. Norde),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam

(gemachtigde: [persoon A] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder]uit [plaats 2] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het realiseren van zeven huurappartementen aan de [straatnaam] [huisnummer X] en [huisnummer Y] in Schiedam. Eisers zijn het niet eens met de vergunningverlening. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat de berekening van de parkeerbehoefte blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen op dat punt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de totstandkoming van het bestreden besluit en vanaf 5 worden de beroepsgronden besproken. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor het realiseren van zeven huurappartementen. Met het bestreden besluit van 21 maart 2024 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben mr. C.A. Blankenstein – de toenmalige gemachtigde van eisers – en [eiser 2] deelgenomen. Namens het college is de gemachtigde verschenen. Vergunninghouder is niet verschenen. Tijdens deze zitting is het onderzoek geschorst.
2.4.
Op 22 april 2025 heeft de gemachtigde van het college een reactie ingediend. Eisers hebben hier bij brief van 8 mei 2025 op gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op een nadere zitting van 22 oktober 2025 behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eisers deelgenomen. Namens het college is de gemachtigde verschenen samen met [persoon B] . Vergunninghouder is niet verschenen. Tijdens deze zitting is het onderzoek wederom geschorst om het college desverzocht te laten reageren op wat eisers op de zitting naar voren hebben gebracht. Het college heeft hier vervolgens geen gebruik van gemaakt
2.6.
Op 14 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Vergunninghouder heeft op 10 september 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van de voormalige destilleergebouwen aan de [straatnaam] [huisnummer X] en [huisnummer Y] in Schiedam tot zeven huurappartementen. Op nummer [huisnummer X] zat tot kort geleden een poolcentrum gevestigd.
4.1.
Omdat op deze aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, heeft het college het ontwerpbesluit tot verlening van de aangevraagde vergunning vanaf 10 januari 2024 tot en met 21 februari 2024 ter inzage gelegd. Eisers hebben tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze ingediend.
4.2.
Met het bestreden besluit van 21 maart 2024 heeft het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. Het gaat om de activiteiten ‘bouwen’, ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘handelen met gevolgen voor beschermde monumenten’.
4.3.
Op 7 mei 2024 heeft mr. C.A. Blankenstein namens eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers zijn eigenaren/verhuurders van woningen in het complex schuin aan de overzijde van de projectlocatie. [eiser 1] is eigenaar/verhuurder van de [straatnaam] nummers [huisnummer A] t/m [huisnummer K] en [eiser 2] van de nummers [huisnummer L] t/m [huisnummer O] .
4.4.
Het college heeft op 23 juli 2024 een verweerschrift ingediend.
4.5.
Tijdens de zitting van 11 april 2025 is het beroep aangehouden omdat het college nog aanvullende informatie zou sturen over de kwaliteitseisen van de nieuw te realiseren woningen en de inrichting van het voormalig poolcafé in verband met de berekening van de parkeerbehoefte.
4.6.
Het college heeft op 22 april 2025 een aanvullend stuk ingediend. Eisers hebben hier bij brief van 8 mei 2025 op gereageerd.
4.7.
De gemachtigde van het college heeft op 27 mei 2025 aangegeven een nadere zitting te wensen.
4.8.
Het onderzoek is hervat op de zitting van 22 oktober 2025. Tijdens deze zitting heeft de gemachtigde van eisers twee uitspraken aangehaald over de berekening van de parkeerbehoefte. De gemachtigde van het college heeft de rechtbank toen verzocht om een termijn van twee weken om hier adequaat op te kunnen reageren. De rechtbank heeft dit toegewezen en afgesproken dat de gemachtigde van eisers vervolgens ook twee weken zou krijgen om op de reactie van het college in te gaan. Partijen hebben aangegeven dat dit de laatste schriftelijke ronde zou zijn en dat zij geen nadere zitting meer wensen.
4.9.
Omdat de rechtbank geen reactie heeft ontvangen van het college is het onderzoek op 14 november 2025 gesloten.
Beoordeling van het beroep
5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. [1] De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘West’ en het ‘Parapluplan Parkeren’. De [straatnaam] [huisnummer X] heeft de bestemmingen ‘Waarde-Archeologie C’ en ‘Horeca’ en de [straatnaam] [huisnummer Y] heeft de bestemmingen ‘Waarde-Archeologie C’ en ‘Gemengd – 2’.
Parkeerbehoefte
7. Eisers betogen allereerst dat de berekening van de parkeerbehoefte geen blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening en dat deze in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bouwplan zal volgens eisers namelijk leiden tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk in de omgeving. De aanvraag is getoetst aan het ‘Parapluplan Parkeren’ en de ‘Mobiliteitsnormen gemeente Schiedam 2022’ (de Parkeernota 2022). Volgens eisers is ten onrechte niet getoetst aan de Parkeernota 2017. Volgens artikel 5.1, negende lid, van het Parapluplan Parkeren moet het college de beleidsregels met betrekking tot parkeren toepassen zoals deze gelden op het tijdstip van indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In afwijking hiervan is toepassing gegeven aan de Parkeernota 2022, met de onderbouwing dat de aanvrager daarom heeft verzocht. Volgens eisers is dit onvoldoende reden om van de bepaling uit het Parapluplan af te wijken. Bovendien leidt toepassing van de Parkeernota 2017 tot een hogere parkeerbehoefte dan toepassing van de Parkeernota 2022.
Voorts bevat de berekening van de parkeerbehoefte op basis van de Parkeernota 2022 volgens eisers onjuistheden. Blijkens pagina 8 van de Parkeernota 2022 is de gemiddelde autodruk in het gebied 0,8 per woning. Ook de norm die het CROW adviseert bedraagt 0,8. Het college motiveert onvoldoende waarom er toch een norm van 0,7 is gehanteerd. Het is eisers bekend dat de parkeerdruk in de omgeving zeer hoog is. Blijkens pagina 15 van de Parkeernota 2022 mag er daarnaast enkel een mobiliteitscorrectie worden toegepast over het bewonersaandeel. Het college heeft dit ten onrechte ook toegepast over het bezoekersaandeel. Verder heeft het college de parkeerbehoefte voor bezoekers ten onrechte gesaldeerd met de parkeerbehoefte van het poolcentrum, terwijl er sprake is van een bestaand tekort. In het geval van een bestaand tekort mag volgens pagina 10 van de Parkeernota 2022 geen verrekening plaatsvinden voor wat betreft het bezoekersparkeren, omdat dit een separate norm betreft. Op pagina 10 van het bestreden besluit is ten onrechte de werkdagavond als maatgevend moment genomen, in plaats van de werkdagnacht (Zie tabel bijlage 3 Parkeernota 2022). Bij dit percentage is daarnaast ten onrechte niet de parkeerbehoefte van de bewoners en bezoekers afzonderlijk bezien. Ook is het onduidelijk hoe het college tot de aanwezigheidspercentages voor het poolcafé is gekomen. Dit café was doordeweeks tot 23:00 uur open. Daarna ging hiervan geen parkeerbehoefte uit. Het valt dan ook niet in te zien waarom de parkeerbehoefte van de woningen in het maatgevend moment met de parkeerbehoefte van het voormalig poolcafé kan worden verrekend.
Volgens eisers had het college de Parkeernota 2017 moeten toepassen. Deze nota leidt tot een parkeerbehoefte van zeven parkeerplaatsen, omdat de nota een hogere parkeernorm van 1,0 kent inclusief bezoekersparkeren en er geen mobiliteitscorrectie is. Hierdoor leidt het bouwplan tot een tekort van minimaal één parkeerplaats. Dit tekort kan gelet op de bestaande parkeerdruk niet worden opgevangen.
7.1.
Het college stelt zich in het verweerschrift bij nader inzien op het standpunt dat de aanvraag inderdaad ten onrechte niet getoetst is aan de Parkeernota 2017. Op basis van deze parkeernota bedraagt de parkeerbehoefte 1,0 parkeerplaats per woning, wat neerkomt op 7 parkeerplaatsen in totaal. Het project voorziet volgens het college echter niet in een aanvullende parkeerbehoefte. Volgens de Parkeernota 2017 heeft een biljart-/snookercentrum een parkeerbehoefte van 0,6 per tafel. Het voormalig poolcafé had 12 tafels, wat neerkomt op een parkeerbehoefte van 7,2 parkeerplaatsen. De oude en nieuwe parkeerbehoeften kunnen daarom tegen elkaar worden weggestreept.
7.2.
Eisers betogen in reactie hierop dat het maatgevend moment voor de woningen gelegen is in de doordeweekse nacht, als het voormalig poolcafé al gesloten was. Er kan daarom – in ieder geval voor de doordeweekse nacht – niet gesaldeerd worden met de reeds bestaande parkeerbehoefte van het voormalig poolcafé zoals het college meent. Hierbij verwijzen eiseres naar twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2]
7.3.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. [3] Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende motiveert dat de berekende parkeerbehoefte blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de uitspraken waar eisers naar verwijzen ligt het op de weg van het college om, wanneer het bouwplan voorziet in de functiewijziging van een pand, te motiveren hoe er bij de saldering rekening mee is gehouden dat de bestaande parkeerbehoefte niet op hetzelfde moment van de dag ontstaat als de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie. In het onderhavige geval wijzigt de functie van de [straatnaam] [huisnummer X] van een poolcafé naar woningen. Volgens bijlage 4 bij de Parkeernota 2017 is het aanwezigheidspercentage bij woningen in de werkdagnacht 100%. Het aanwezigheidspercentage van een café is in de werkdagnacht 0% en op de zaterdagavond 100%. Hier ontstaat de maximale parkeerbehoefte aldus niet op hetzelfde moment. Het college motiveert niet hoe hiermee rekening is gehouden en waarom tot een volledige saldering is overgegaan.
7.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Het beroep is om deze reden gegrond.
Woningvorming
8. Eisers betogen daarnaast dat het college onvoldoende onderbouwt dat bij het pand op nummer 13 geen sprake is van woningvorming zoals bedoeld in de Verordening woonruimtevoorraad Schiedam 2020 (de verordening). In het bestreden besluit wordt enkel vermeld dat uit nader onderzoek blijkt dat het pand formeel geen deel uitmaakt van de woningvoorraad. Eisers volgen dit niet, nu de bestemming ‘Gemengd-2’ ter plaatse de functie ‘wonen’ toestaat. Artikel 5, tweede lid, van de verordening is van toepassing omdat het pand in een aangewezen gebied staat en omdat er een woonruimte verbouwd wordt tot twee of meer zelfstandige woonruimten. Nu er sprake is van woningvorming, maar er – in verband met de dwingend voorgeschreven weigering – geen vergunning kan worden verleend op grond van de verordening, had het college de omgevingsvergunning voor nummer [huisnummer Y] moeten weigeren. Het bouwplan is immers, vanwege de benodigde vergunning, evident onuitvoerbaar.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de verordening die eisers aanhalen geen deel uitmaakt van het toetsingskader voor verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wabo zoals het college terecht stelt. Bovendien heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat het adres [straatnaam] [huisnummer Y] nooit ingericht is geweest als woning en dat hier ook nooit iemand ingeschreven heeft gestaan, zodat dit adres niet tot de woningvoorraad behoort. Eisers hebben dit niet betwist. Het enkele feit dat de bestemming ‘Gemengd-2’ wonen mogelijk maakt is hiervoor onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kwaliteitseisen woningen
9. In het beroepschrift benoemen eisers dat, ook als er geen sprake is van woningvorming, de nieuwe woningen wel dienen te voldoen aan de kwaliteitsnormen uit de Woonvisie. In het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat hieraan wordt voldaan, maar de motivering hiervoor ontbreekt. In het aanvullend stuk van verweerder van 22 april 2025 wordt toegelicht dat bekeken is of het bouwplan in lijn is met het huidige woonbeleid en de opgaven die zijn gesteld vanuit de Woonvisie. Eén van deze opgave is het realiseren van een inclusieve, leefbare, aantrekkelijke stad in balans. Het toevoegen van kwaliteit is daarbij het voornaamste uitgangspunt. Zo is het een belangrijk uitgangspunt dat nieuwe woningen minimaal 70 m² gebruiksoppervlakte hebben. In eisers aanvullend stuk van 8 mei 2025 wordt betoogd dat hiermee door het college nog steeds niet inzichtelijk is gemaakt welke kwaliteitseisen er allemaal zijn en hoe het bouwplan daaraan voldoet.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers onderbouwen niet concreet op welke punten zij verwachten dat de nieuwe woningen niet aan de daarvoor geldende normen zullen voldoen en wat hun belang daarbij is. Het ligt niet op de weg van het college om, zonder concrete betwisting hiervan, op voorhand aannemelijk te maken dat de nieuwe woningen aan alle beleidsnormen voldoen.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op wat de rechtbank onder 7.4 en 7.5 heeft overwogen is het beroep gegrond omdat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met de artikelen 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en wordt daarom vernietigd.
10.1.
De rechtbank ziet gelet op (de aard van) het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het college dient de parkeerbehoefte nader te berekenen en te motiveren waarom dit blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening.
10.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 2.267,50,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend (1 punt), aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt) en aan de nadere zitting heeft deelgenomen (0,5 punt).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover het gaat om de berekening van de parkeerbehoefte;
- draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.267,50,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Veth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
[…]

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk.
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
[…]
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…]
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]
Artikel 2.15
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
[…]
d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, voor zover voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde lid, een adviseur is aangewezen;
[…]
Artikel 2.26
[…]
3. Het bevoegd gezag stelt de bij algemene maatregel van bestuur en, in gevallen als bedoeld in artikel 2.2, de bij de betrokken verordening aangewezen bestuursorganen of andere instanties in gevallen die behoren tot een bij die maatregel, onderscheidenlijk verordening aangewezen categorie in de gelegenheid hem advies uit te brengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning.

Besluit Omgevingsrecht (Bor)

Artikel 6.4
1. Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet, worden als adviseurs aangewezen:
a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien de activiteit betrekking heeft op:
1°. het slopen van een beschermd monument of een deel daarvan voor zover van ingrijpende aard,
2°. het ingrijpend wijzigen van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het beschermde monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld onder 1°,
3°. het reconstrueren van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van dat monument, of
4°. het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan;
[…]

Bestemmingsplan ‘West’ (planregels)

Artikel 7.1
De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijfsmatige activiteiten die een milieubelasting kennen die niet hoger is dan categorie 2 als bedoeld in de als Bijlage 1 opgenomen Staat van milieubelastende activiteiten;
b. dienstverlening;
c. kantoor;
d. maatschappelijke voorzieningen;
e. wonen;
f. ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' is wonen niet toegelaten;
met daarbij behorende:
g. tuinen en erven;
h. ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen;
i. groenvoorzieningen;
j. waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Artikel 7.2
Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:
a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
c. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid;
d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten tot een hoogte van:
1. maximaal 2,0 meter voor erf- en terreinafscheidingen, tenzij deze zijn gelegen vóór de voorgevel of het verlengde daarvan, in welk geval de hoogte niet meer mag bedragen dan 1,0 meter;
2. maximaal 7,0 meter voor palen en masten;
3. maximaal 3,0 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 10.1
De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. horeca 1 en 2
b. hotel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - hotel';
met daarbij behorende:
c. erven en tuinen;
d. ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen;
e. groenvoorzieningen;
f. waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Artikel 10.2
Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:
a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij op de verbeelding een maximum bebouwd oppervlak is aangeduid, in welk geval de oppervlakte van gebouwen niet meer mag bedragen dan is aangeduid;
c. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid;
d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten tot een hoogte van:
1. maximaal 2,0 meter voor erf- en terreinafscheidingen, tenzij deze zijn gelegen vóór de voorgevel of het verlengde daarvan, in welk geval de hoogte niet meer mag bedragen dan 1,0 meter;
2. maximaal 7,0 meter voor palen en masten;
3. maximaal 3,0 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 24.1
De voor 'Waarde - archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.
Artikel 24.2
In het belang van de archeologische monumentenzorg mogen, in afwijking van het bepaalde bij de andere met de bestemming 'Waarde - archeologie' samenvallende bestemming(en):
[…]
c. ter plaatse van de aanduiding 'Waarde – archeologie C' geen bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) worden gebouwd waarvan het gezamenlijk oppervlak groter is dan 200 m² en die dieper reiken dan 1,5 meter beneden het maaiveld.
Artikel 24.3
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels, als bedoeld in lid 24.2, voor bouwwerken voor zover deze zijn toegelaten op grond van de regels van de andere bestemmingen waarmee de bestemming 'Waarde - archeologie' samenvalt.
Er kan slechts afgeweken worden van de bouwregels indien op basis van een archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat ter plaatse waar gebouwd gaat worden geen archeologische waarden als zodanig aanwezig zijn, dan wel dat er passende maatregelen zijn genomen om de aanwezige archeologische waarden veilig te stellen.
Aan de afwijking van de bouwregels kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Parapluplan Parkeren (planregels)

Artikel 5.1
[…]
9. Burgemeester en wethouders passen de regels met betrekking tot het parkeren toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals deze gelden op het tijdstip van indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning, of, indien geen omgevingsvergunning vereist is, het moment waarop het gebruik van de gronden wordt gewijzigd.

Huisvestingswet 2014

1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;
b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden;
c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;
d. van onzelfstandige in zelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;
e. tot twee of meer zelfstandige woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.
2. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening gevallen aanwijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarin een ontheffing kan worden verleend van een verbod als bedoeld in het eerste lid. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
3. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of c, slechts wordt afgegeven voor een in die huisvestingsverordening aangegeven termijn. Na afloop van de termijn vervalt de vergunning van rechtswege.

Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020

Artikel 5
[…]
2. Een vergunning voor omzetting of woningvorming als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt geweigerd indien de aanvraag ziet op een woonruimte die gelegen is in één van de hiervoor door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden.
[…]

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3584.
2.ABRVS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313 & ABRvS 25 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4044.
3.ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865.