ECLI:NL:RBROT:2025:14321

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/8369
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening tegen sluiting avondwinkel door burgemeester Rotterdam

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, eigenaar van een avondwinkel, had de burgemeester van Rotterdam verzocht om de sluiting van zijn winkel, die voor drie maanden was opgelegd, eerder op te heffen. De sluiting was ingesteld vanwege ernstige signalen van drugshandel vanuit de winkel. De burgemeester had eerder op 24 september 2025 besloten om de winkel te sluiten, en dit besluit was bevestigd door de voorzieningenrechter in een eerdere uitspraak op 6 oktober 2025. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting nog steeds noodzakelijk en evenwichtig was om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen. De voorzieningenrechter wees het verzoek af, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de sluiting onterecht maakten. De burgemeester had tijdig op het verzoek om opheffing beslist en de politie had negatief geadviseerd over een eerdere opheffing. De voorzieningenrechter concludeerde dat de sluiting van de avondwinkel voorlopig moest blijven bestaan, en dat er geen aanleiding was voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8369

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. “[naam eenmanszaak]”, uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. I.A. Kamans),
en

de burgemeester van Rotterdam

(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde en mr. S.A. de Roo).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: De Eerste Burg B.V. uit Utrecht (pandeigenaar).

Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft de burgemeester op 21 oktober 2025 verzocht om (voortijdige) opheffing van de sluiting van zijn eenmanszaak “[naam eenmanszaak]”, gevestigd aan de [adres] (de avondwinkel), en hierover uiterlijk 24 oktober 2025 een besluit te nemen.
1.2.
Op 26 oktober 2025 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de (vermeende) fictieve weigering van de burgemeester om op dit verzoek te beslissen. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Met het besluit van 14 november 2025 heeft de burgemeester het verzoek om opheffing van de sluiting afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 16 november 2025 afzonderlijk bezwaar gemaakt en opnieuw de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester. Namens de derde-partij is niemand verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker is sinds 2014 eigenaar en exploitant van de avondwinkel. Eigenaar van het pand is vastgoedbeleggingsorganisatie De Eerste Burg B.V.
3. Met het besluit van 24 september 2025 heeft de burgemeester de avondwinkel voor drie maanden gesloten. De sluiting is na afloop van de begunstigingstermijn geëffectueerd op 28 september 2025. Verzoeker heeft tegen de sluiting bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 6 oktober 2025 (ROT 25/7368) heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd is om de avondwinkel te sluiten en van die bevoegdheid ook gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter heeft een sluiting van drie maanden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig geacht. Daarmee staat vast dat de burgemeester het winkelpand voor de duur van drie maanden mocht sluiten.
Waar gaat deze zaak om?
4. De burgemeester ziet geen aanleiding om de sluiting eerder op te heffen, omdat volgens haar sprake is van een ernstig geval en de openbare orde nog niet voldoende is hersteld om herhaling te voorkomen. De Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022 (de Beleidslijn) [1] hanteert als uitgangspunt dat de openbare orde in beginsel drie maanden nodig heeft om te herstellen. De burgemeester weegt daarbij mee dat er sterke signalen waren van drugshandel in of vanuit de avondwinkel. Daarom is van belang dat de bekendheid van het pand in het criminele drugscircuit wordt doorbroken. De sluiting is dan ook bedoeld om een signaalfunctie af te geven. De burgemeester heeft in verband met het verzoek om opheffing ook de politie om advies gevraagd. Die geeft aan dat een kortere sluitingsduur niet afdoende is om het met de sluiting beoogde doel te bereiken. De (financiële) gevolgen van de sluiting voor verzoeker vormen voor de burgemeester geen aanleiding om de sluiting eerder op te heffen. De gevolgen zijn al meegewogen in het besluit van 24 september 2025.
5. Verzoeker is het niet eens met dit besluit en wil met zijn verzoek bereiken dat de avondwinkel zo spoedig mogelijk weer open mag. Daartoe stelt hij dat gelet op het tijdsverloop sinds de politiecontrole op 8 augustus 2025 de sluiting niet langer noodzakelijk is en geen geschikt middel meer is. De burgemeester wijst op het belang van het herstel van de openbare orde, maar dat kan volgens verzoeker niet op zichzelf het doel zijn van een sluiting. Verzoeker wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025. [2] De sluiting is volgens verzoeker ook niet langer evenwichtig. Door het voortduren van de sluiting dreigt verzoeker failliet te gaan. Hij heeft zich inmiddels bij de gemeente gemeld met het verzoek om tot de schuldhulpverlening te worden toegelaten. Daarbij heeft de pandeigenaar de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst aangekondigd, indien betaling van de huurtermijnen uitblijft. Dit betekent het einde van verzoekers onderneming. Daarmee is niet langer sprake van een herstelsanctie, maar veeleer van een maatregel met een punitief karakter.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van ‘onverwijlde spoed’. Dus als de beslissing op bezwaar of de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht zonder dat een (financiële) noodsituatie, of een (andere) onomkeerbare situatie ontstaat.
6.1.
De sluiting van de avondwinkel betekent dat verzoeker op dit moment geen inkomsten heeft uit zijn onderneming. Verzoeker heeft zich op 7 oktober 2025 bij de gemeente gemeld voor het aanvragen van schuldhulpverlening. De voorzieningenrechter neemt een spoedeisend belang in deze zaak daarom wel aan. De voorzieningenrechter zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
‘Fictieve weigering’
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het niet de bedoeling kan zijn om middels het vragen van een voorlopige voorziening een (versnelde) beslissing van een bestuursorgaan ‘af te dwingen’. Wanneer een bestuursorgaan in gebreke is om te beslissen zal het eerst in gebreke moeten worden gesteld. Vervolgens staat dan de mogelijkheid open om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen. [3] Verzoeker heeft de burgemeester niet in gebreke gesteld. De voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat de burgemeester in gebreke was om te beslissen, aangezien de beslistermijn van, in dit geval, acht weken [4] bij de indiening van het verzoek nog niet was verstreken.
9. Met het besluit van 14 november 2025 heeft de burgemeester tijdig op het verzoek om opheffing van de sluiting beslist. Op de zitting heeft verzoeker zijn verzoek van 26 oktober 2025, dat is gericht tegen de ‘fictieve weigering’, ingetrokken. Daarmee ligt nog slechts het verzoek van 16 november 2025 tegen het besluit van 14 november 2025 ter beoordeling voor.
Mocht de burgemeester het verzoek om opheffing van de sluiting afwijzen?
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester geen geschreven beleid heeft om een verzoek om opheffing van een pandsluiting te beoordelen. Wel is het de vaste gedragslijn van de burgemeester dat de politie om advies wordt gevraagd, zoals de gemachtigde van de burgemeester op de zitting heeft toegelicht. Dit is in verzoekers situatie ook gebeurd. De politie heeft een negatief advies uitgebracht, waarna de burgemeester het verzoek om opheffing heeft afgewezen. Gelet op deze gedragslijn en de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2025, zal de voorzieningenrechter beoordelen of sinds die uitspraak sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die maken dat het voortduren van de sluiting bij afweging van alle betrokken belangen niet langer evenredig is.
10.1.
Niet in geschil is dat verzoeker een financieel belang heeft bij de opheffing van de sluiting. De avondwinkel is inmiddels twee maanden gesloten en zal in beginsel eerst op 28 december 2025 weer open mogen. De voorzieningenrechter is niet op voorhand gebleken dat verzoeker die datum niet kan afwachten. Verzoeker heeft geen actuele financiële stukken overgelegd waaruit blijkt van een dreigende financiële noodsituatie, zoals een faillissement. De schriftelijke verklaring van de boekhouder (Fisqi) is niet voldoende om een dreigend faillissement aan te nemen, nu een concrete en actuele cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Verzoeker heeft ook een brief overgelegd, waaruit blijkt dat hij zich op 7 oktober 2025 bij de gemeente heeft gemeld met het verzoek om tot de schuldhulpverlening te worden toegelaten. Op de zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester gesteld dat zij intern is nagegaan of dit verzoek inmiddels is gehonoreerd. Zij heeft hierop geen bevestigend antwoord gekregen. Verzoeker heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij inmiddels tot de schuldhulpverlening is toegelaten.
10.2.
Verder is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker na ommekomst van de sluitingstermijn het pand niet meer mag gebruiken. Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat de pandeigenaar hem schriftelijk heeft meegedeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden als de huur niet meer wordt betaald, maar heeft hiervan geen bewijs overgelegd. Verzoeker heeft ook niet met financiële stukken onderbouwd dat hij de huur daadwerkelijk niet meer kan betalen en dat inmiddels sprake is van betalingsachterstanden. Verder is niet gebleken dat de pandeigenaar al concrete stappen heeft ondernomen om de huurovereenkomst nog voor eind december 2025 (buitengerechtelijk) te ontbinden.
10.3.
De politie heeft in haar advies aan de burgemeester van 22 oktober 2025 toegelicht dat door de sluiting van het pand de openbare orde in aanzienlijke mate is hersteld. Dit duidt erop dat de sluiting van de avondwinkel tot nu toe een positief effect heeft gehad. De voorzieningenrechter ziet hierin echter nog geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de sluiting niet langer evenredig is. De openbare orde is immers niet het enige doel dat met de sluiting is gediend. Met de sluiting is ook beoogd het woon- en leefklimaat in de omgeving van het winkelpand te herstellen en herhaling te voorkomen. Uit het advies van de politie blijkt dat deze doelen nog niet zijn bereikt. De verklaringen van ondernemers en omwonenden die verzoeker heeft overgelegd, leggen naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gewicht in de schaal om aan het advies van de politie te twijfelen. De voorzieningenrechter ziet de sluiting daarom nog steeds als een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel om deze doelen te bereiken. De sluiting heeft in zoverre dan ook geen punitief karakter. Hieraan kan niet (alsnog) afdoen dat de aangetroffen drugs al op 8 augustus 2025 door de politie in beslag zijn genomen.
11. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die maken dat het voortduren van de sluiting bij afweging van alle betrokken belangen niet langer evenredig is. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het pand voorlopig nog gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022.
3.Zie artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 4:13 van de Awb.