Uitspraak
[eiser], uit Schiedam, eiser,
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser uit Schiedam en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Eiser had een beroep ingesteld tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering per 14 maart 2025, welke beslissing was gebaseerd op de conclusie van verzekeringsartsen dat hij weer arbeidsgeschikt was. Eiser was het niet eens met deze conclusie en verzocht om een voorlopige voorziening om een deel van de uitkering over de maanden maart tot en met juli 2025 te ontvangen. De voorzieningenrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De rechter oordeelde dat het UWV zich terecht had gebaseerd op de rapportages van de verzekeringsartsen, die hadden vastgesteld dat eiser op de datum in geding geschikt was voor zijn arbeid. De voorzieningenrechter concludeerde dat de gestelde beperkingen van eiser niet objectief medisch waren vastgesteld en dat het UWV op basis van de medische adviezen kon besluiten dat eiser niet langer in aanmerking kwam voor een Ziektewet-uitkering. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische vaststellingen in het kader van arbeidsongeschiktheid en de rol van verzekeringsartsen in dit proces.