ECLI:NL:RBROT:2025:14279

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
10.176500.25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schuldvraag en noodweer bij poging zware mishandeling in uitgaanssituatie

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die schuldig is bevonden aan poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op 9 juni 2025 in Rotterdam het slachtoffer met een mes in de rechterzij gestoken tijdens een vechtpartij. De rechtbank oordeelde dat het beroep op noodweer niet slaagde, omdat de door de verdachte geschetste gang van zaken niet aannemelijk was. De verdachte werd in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht, wat leidde tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde deelname aan een gedragsinterventietraining. De rechtbank overwoog dat de verdachte in plaats van geweld te gebruiken, andere, minder ingrijpende opties had kunnen overwegen om de situatie te de-escaleren. De rechtbank heeft ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen, waaronder een licht verstandelijke beperking, en heeft de straf daarop aangepast. De benadeelde partij, het slachtoffer, heeft een schadevergoeding van € 2.569,92 toegewezen gekregen, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte ook verplicht om zich te houden aan de voorwaarden van reclasseringstoezicht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10.176500.25
Datum uitspraak: 24 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. F. van der Putte heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het primair ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 51 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering alsmede deelname aan een CoVa training.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de poging zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.2.2.
Beoordeling
Vast staat dat de verdachte op 9 juni 2025 te Rotterdam het slachtoffer met een mes in de rechterzij heeft gestoken. Dat is door de verdachte bekend. De rechtbank zal dit feit zonder nadere motivering bewezen verklaren.
4.2.3.
Conclusie
De rechtbank acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
primair
hij op
of omstreeks9 juni 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
althanszwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(met kracht) (met
)een mes in de rechterzij
en/of het bovenlichaamvan die [slachtoffer]
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Rotterdam
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door (met kracht) (met) een mes in de rechterzij en/of het
bovenlichaam van die [slachtoffer] te steken;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
poging tot zware mishandeling
Beroep op noodweerDe verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt, omdat hij probeerde zijn vriend te ontzetten.
Voor de vraag of de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en daarmee de wederrechtelijkheid van zijn handelen komt te vervallen is van belang dat sprake dient te zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zichzelf of een ander en dient die verdedigende handeling vervolgens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen.
De rechtbank stelt de volgende feiten vast.
In de nacht van 9 juni 2025 waren de verdachte, een vriend van de verdachte en het latere slachtoffer aanwezig bij een feest in partycentrum ‘ [naam horecagelegenheid] ’ in Rotterdam. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen wordt duidelijk dat de betrokken vriend van de verdachte in een vechtpartij met het slachtoffer terecht is gekomen waarbij over en weer klappen zijn gevallen en beiden op de grond terecht zijn gekomen. Het slachtoffer is tijdens de vechtpartij in zijn rechterzij gestoken door de verdachte. Op de tijdens het feest met een telefoon gemaakte beelden, die ter zitting zijn getoond, is te zien dat er een schermutseling plaatsvindt. De verdachte is te zien op deze beelden.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Volgens de verdachte raken vervolgens 10 à 15 man bij de vechtpartij betrokken die allen zijn vriend begonnen te slaan en schoppen. Geconfronteerd met deze mate van geweld, voelde de verdachte zich genoodzaakt om het leven van zijn vriend te redden en gebruikte hij daartoe het mes dat hij bij zich droeg. Deze verklaring van de verdachte vindt echter geen steun in het dossier. De verdachte is de enige die verklaart over een grote groep die zijn vriend toetakelt. Ook het slachtoffer zelf verklaart niet dat hij door een groep mensen in elkaar werd geslagen en werd geschopt. Hij heeft het alleen over een gevecht met de ex van zijn nicht waarbij hij met een vuist in zijn gezicht werd geslagen en aan zijn haren naar beneden zou zijn getrokken. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen dan ook vast dat er sprake was van een gevecht tussen twee personen; namelijk een kortstondige knokpartij tussen de vriend van de verdachte en het slachtoffer. Door met een mes te steken om twee vechtende mensen uit elkaar te halen is volgens de rechtbank een overschrijding van de proportionaliteit. Alleen al hierom komt de rechtbank niet tot een geslaagd beroep op noodweer. Ook aan de eis van subsidiariteit is niet voldaan; de verdachte had andere, aanzienlijk minder ingrijpende opties. Nog afgezien van geweldloze fysieke ingrepen, had de verdachte bijvoorbeeld de beveiliging van de uitgaansgelegenheid kunnen aanschieten. Op de beelden is te zien dat de beveiliging zich op de dansvloer begeeft en ingrijpt. Nu niet is voldaan aan de eisen van zowel subsidiariteit als proportionaliteit, wordt het beroep op noodweer verworpen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich in een uitgaansgelegenheid bemoeid met een vechtpartij tussen zijn vriend en het slachtoffer. In plaats van te proberen de twee betrokkenen bij elkaar weg te houden of anderszins te de-escaleren, heeft de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn rechterzij gestoken. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook bijgedragen aan de heersende problematiek rondom uitgaansgeweld en gezorgd voor gevoelens van onveiligheid bij omstanders. De verdachte heeft na het uitbreken van de vechtpartij veel te snel gegrepen naar een veel te heftig middel. De rechtbank rekent hem dit handelen aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld. Wel is de verdachte op 22 december 2023 veroordeeld voor bezit van een steekwapen.
7.3.2.
Rapportages
Het NIFP heeft een psychologisch onderzoek verricht naar de verdachte en heeft daarover op 26 september 2025 een rapport uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat de verdachte een licht verstandelijke beperking heeft. De daarmee gepaard gaande beperkingen in het sociaal-emotioneel functioneren en de coping van de verdachte hebben in belangrijke mate bijgedragen aan het ontstaan en het beloop van het ten laste gelegde feit. De beperking van de verdachte heeft gevolg gehad voor zijn paniekreactie, zijn impulsiviteit en zijn onvermogen om alternatieve handelingen te bedenken. Het NIFP adviseert om bij veroordeling het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Reclassering Nederland heeft naar aanleiding van dit rapport een advies uitgebracht, gedateerd 24 oktober 2025. De reclassering ziet weinig risicoverhogende factoren en meerdere beschermende factoren. De verdachte heeft een hecht, steunend familienetwerk, een stabiele dagbesteding en geen risicoverhogende problematiek. De reclassering adviseert, indien de rechtbank het opleggen van bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, een meldplicht, alsmede deelname aan een training gericht op sociale en cognitieve vaardigheden.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een licht verstandelijke beperking in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdachte heeft een aanzienlijke tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht voordat deze geschorst werd. De rechtbank ziet, mede gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, geen aanleiding om de verdachte terug naar de gevangenis te sturen en zal het overige deel van de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen.
Gelet op het bewezenverklaarde feit en de eerdere veroordeling van de verdachte voor het bezit van een steekwapen, acht de rechtbank het geboden om de door de reclassering geadviseerde training sociale en cognitieve vaardigheden als bijzondere voorwaarde op te leggen. Dit kan eraan bijdragen dat de verdachte in het vervolg betere keuzes maakt in stressvolle situaties. Daarnaast wordt een meldplicht opgelegd.
Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.836,92 aan materiële schade en een vergoeding van € 4.500,00 aan immateriële schade.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele materiële schadevergoedingsvordering en tot matiging van de vergoeding van immateriële schade tot € 2.500,00.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft de materiële schadevergoedingsvordering op enkele schadeposten betwist en heeft geconcludeerd tot forse matiging van de vergoeding van immateriële schade.
8.3.
Beoordeling
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze voor wat betreft de posten eigen risico, kleding en schoenen worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het deel van de vordering dat ziet op de bril en de kettingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Het causale verband tussen het handelen van de verdachte en het verlies van deze voorwerpen valt niet met voldoende zekerheid vast te stellen.
Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden materiële schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 november 2025 en dat het te vergoeden immateriële schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.569,92, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
51 (eenenvijftig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarde:
de veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] te [plaats] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de veroordeelde neemt actief deel aan een gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte ;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van
€ 2.569,92 (zegge: tweeduizendvijfhonderdnegenenzestig euro en tweeënnegentig eurocent), bestaande uit € 569,92 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente voor de materiële schade vanaf 6 november 2025 en voor de immateriële schade vanaf 9 juni 2025;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen
€ 2.569,92 (zegge: tweeduizendvijfhonderdnegenenzestig euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente voor de materiële schade vanaf 6 november 2025 en voor de immateriële schade vanaf 9 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.569,92 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
35 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. C.M. Derijks en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. Speelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
primair
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(met kracht) (met) een mes in de rechterzij en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer]
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Rotterdam
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door (met kracht) (met) een mes in de rechterzij en/of het
bovenlichaam van die [slachtoffer] te steken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.