ECLI:NL:RBROT:2025:14272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
11701677 CV EXPL 25-11561
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:58 BWArt. 6:61 lid 2 BWArt. 6:119a BWArt. 6:266 BWArt. 33d Algemene Voorwaarden Operational Lease
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding autoleaseovereenkomst met wederzijds goedvinden wegens betalingsgeschil

De zaak betreft een geschil over een autoleaseovereenkomst tussen BMW Financial Services Nederland B.V. en drie gedaagden. De gedaagden wilden betalingen verrichten vanaf een privérekening, maar BMW eiste een zakelijk bankrekeningnummer. Omdat de gedaagden dat niet hadden, ontstond een betalingsachterstand. BMW ontbond daarop de overeenkomst en vorderde betaling van huur, boetes, beëindigingskosten en incassokosten.

De kantonrechter oordeelt dat BMW de gedaagden heeft verhinderd om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen door het incasseren vanaf een privérekening te weigeren zonder duidelijke communicatie over handmatige betaling. Dit leidt tot schuldeisersverzuim van BMW, waardoor geen verzuim bij gedaagden kon ontstaan en de ontbinding onrechtmatig was.

De overeenkomst is op 26 oktober 2024 met wederzijds goedvinden geëindigd toen de auto werd ingeleverd. Daarom zijn geen beëindigingskosten verschuldigd. Wel moet gedaagden een bedrag van € 4.441,78 betalen voor huur en boete, plus incassokosten vanaf het moment dat het schuldeisersverzuim eindigde op 23 december 2024. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De overeenkomst is met wederzijds goedvinden ontbonden; gedaagden betalen openstaande huur, boete, incassokosten en rente, maar geen beëindigingskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11701677 CV EXPL 25-11561
datum uitspraak: 31 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
BMW Financial Services Nederland B.V.,
vestigingsplaats: Breda,
eiseres,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde 1],

vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde sub 1,
die zelf procedeert, en
2. [gedaagde 2],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde sub 2,
die niet is verschenen, en
3. [gedaagde 3],
woonplaats: Rotterdam,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘BMW’, ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’, ‘[gedaagde 3]’ en gedaagden gezamenlijk ‘[gedaagden]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • aanvullend verweer van 2 juni 2025;
  • de spreekaantekeningen van 12 september 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 23 september 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] van BMW (debiteurenbeheer) en [naam 2] namens de gemachtigde. [gedaagde 3] is verschenen, mede namens [gedaagde 1].
1.3.
[gedaagde 2] is niet verschenen. Bij de dagvaarding, gericht aan [gedaagden], zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht genomen, zodat tegen [gedaagde 2] verstek wordt verleend (artikel 139 Rv Pro). Niettemin wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv Pro één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
1.4.
[gedaagde 3] heeft op 10 september 2025 een aanvullend verweer ingediend met daarin ook een tegeneis. [gedaagde 3] heeft niet een kopie van dit aanvullende stuk aan BMW gestuurd en BMW heeft het dan ook niet ontvangen. [gedaagde 3] stelt dat hij dit processtuk voor zowel de kantonrechter als BMW bij de balie van de rechtbank heeft afgegeven en dat hij dacht dat dit stuk door de griffie doorgestuurd zou worden aan BMW. Dat laatste is niet gebeurd, in overeenstemming met de gebruikelijke werkwijze van de griffie. [gedaagde 3] kon weten dat zijn brief niet zou worden doorgestuurd, omdat in de brief van 16 juni 2025 van de rechtbank nadrukkelijk vermeld staat dat als [gedaagde 3] nog stukken wil opsturen dat hij die niet alleen naar de rechter, maar ook naar de andere partij(en) moet opsturen. Nu [gedaagde 3] daaraan geen gehoor heeft gegeven en het stuk daarom bij BMW niet bekend was, wordt dit stuk buiten beschouwing gelaten (artikel 87 lid 6 Rv Pro).
1.5.
Ter zitting stelt [gedaagde 3] op zijn beurt dat hij de spreekaantekeningen van BMW niet heeft ontvangen. Deze worden ter zitting door BMW voorgedragen, waarmee buiten twijfel is gesteld dat deze onderdeel van het procesdossier zijn geworden.

2.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
2.1.
[gedaagden] hebben bij BMW een auto gehuurd, maar zij hebben niet alle facturen voldaan. [gedaagden] hebben BMW aangeboden om automatisch vanaf de privé-bankrekening van [gedaagde 3] te incasseren. BMW heeft dat (in ieder geval in eerste instantie) geweigerd, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan. BMW stelt dat ze, door een verandering in het beleid, alleen van zakelijke bankrekeningen mag incasseren en daarom niet van de privé bankrekening van [gedaagde 3] kon of wilde incasseren. [gedaagden] hadden volgens BMW handmatig de facturen kunnen en moeten voldoen. Omdat [gedaagden] niet hebben betaald, meent BMW dat zij de overeenkomst eenzijdig mocht ontbinden. BMW eist betaling van een bedrag van € 24.036,58 aan huur, een verkeersboete en voortijdige beëindigingskosten van [gedaagden] Daarnaast vordert zij dat [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld worden de buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten te betalen.
2.2.
Volgens [gedaagden] had BMW automatisch van de privé-bankrekening van [gedaagde 3] moeten incasseren, maar heeft BMW dat slechts één keer gedaan. [gedaagden] hebben geen zakelijke bankrekening en aan hen was bij het sluiten van de overeenkomst niet bekend dat dit voor BMW een voorwaarde was om de overeenkomst aan te gaan.
[gedaagden] moeten hoofdelijk een bedrag van € 4.441,78 aan BMW betalen
2.3.
[gedaagden] betwisten niet dat zij moeten betalen voor de huur van de auto en de verkeersboete. Deze posten samen maken een bedrag van € 4.441,78. Dit bedrag wordt toegewezen, omdat aan alle vereisten voor toewijzing is voldaan.
[gedaagde 1] hoeft geen beëindigingskosten te betalen
2.4.
BMW stelt dat [gedaagden] de facturen handmatig hadden moeten betalen en dat zij hadden moeten begrijpen dat zij dat mochten doen. BMW stelt dat [gedaagden], door dat niet te doen, in verzuim zijn geraakt. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] niet in verzuim zijn geraakt en dat BMW de overeenkomst daarom niet mocht ontbinden. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel komt.
2.5.
In artikel 4.4 van de Operational Lease Agreement is bepaald dat [gedaagden] verplicht waren om BMW een SEPA machtiging te geven voor automatische incasso. In artikel 8 van Pro de Algemene Voorwaarden Operational Lease is bepaald dat de verschuldigde bedragen maandelijks via automatische incasso van de bankrekening worden afgeschreven.
2.6.
Op een verzoek van [gedaagde 3] om de verschuldigde bedragen van zijn privérekening af te schrijven heeft BMW bij e-mail van 27 mei 2024 geantwoord dat zij niet van een privérekening mocht incasseren. Zij heeft [gedaagde 3] daarbij verzocht een zakelijk rekeningnummer van [gedaagde 1] door te geven. Op 22 augustus 2024 stuurde [naam 3] (de BMW-dealer die de auto geleverd had) een e-mail aan [gedaagde 3], waarin werd gesteld dat [gedaagde 3] het hele aankoopbedrag van de auto op de rekening van [naam 3] moest betalen, omdat hij geen zakelijk rekeningnummer had doorgegeven. Het is te begrijpen dat [gedaagden] op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat BMW alleen betaling van de leasetermijnen vanaf een zakelijke bankrekening zou accepteren. BMW heeft weliswaar op 27 september 2024 per e-mail een ingebrekestelling gestuurd waarmee [gedaagde 1] werd gesommeerd het openstaande bedrag te betalen op “de onderstaande rekening”, maar in die e-mail werd geen rekeningnummer vermeld. Pas op 23 december 2024 (nadat de leaseovereenkomst reeds geëindigd was) heeft BMW voldoende duidelijk gemaakt dat ook handmatige betaling mogelijk was, door een e-mail aan [gedaagde 1] waarin een betaallink was opgenomen.
2.7.
BMW heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat op de verstuurde facturen een rekeningnummer van BMW staat. Dat [gedaagden] uit de woorden ‘vervaldatum factuur’ (die bovenaan de factuur staan) had moeten begrijpen dat zij de facturen handmatig vanaf een privérekening konden voldoen, zoals BMW ter zitting heeft gesteld, volgt de kantonrechter niet. BMW had in veel duidelijker bewoordingen aan [gedaagden] duidelijk kunnen en moeten maken dat zij ook handmatig betalingen konden verrichten vanaf een privérekening en zij had daarbij ook duidelijk aan kunnen en moeten geven op welk rekeningnummer die betalingen moesten worden gedaan.
2.8.
BMW heeft zich er tegenover [gedaagden] beroepen dat het haar niet was toegestaan betalingen automatisch van een privérekening te incasseren. BMW heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet kunnen uitleggen op welke grond haar dat niet zou zijn toegestaan. Bovendien heeft BMW niet kunnen verklaren hoe het feit, dat zij eenmalig (op 18 september 2024) wel een bedrag automatisch heeft geïncasseerd van de privérekening van [gedaagde 3], te verenigen is met die beweerdelijke onmogelijkheid om bedragen automatisch te incasseren van privérekeningen.
2.9.
Uit het bovenstaande volgt dat BMW [gedaagden] heeft verhinderd om haar betalingsverplichtingen na te komen, zonder dat daarvoor een goede reden was. Hierdoor is BMW op de voet van artikel 6:58 BW Pro in schuldeisersverzuim geraakt. Als gevolg van dit verzuim kon geen verzuim aan de zijde van [gedaagden] intreden (artikel 6:61 lid 2 BW Pro). Omdat er sprake was van schuldeisersverzuim aan de kant van BMW kon zij de overeenkomst tussen partijen niet ontbinden (artikel 6:266 BW Pro). Dat schuldeisersverzuim is pas geëindigd toen BMW op 23 december 2024 de hiervoor genoemde e-mail met betaallink aan [gedaagde 1] stuurde.
2.10.
[gedaagden] hebben de auto op 26 oktober 2024 ingeleverd en BMW heeft die in ontvangst genomen. De kantonrechter begrijpt uit deze gang van zaken dat de overeenkomst tussen partijen op dat moment met wederzijds goedvinden is geëindigd. Op dat moment was het schuldeisersverzuim nog niet geëindigd en was de leaseovereenkomst dus nog niet ontbonden. Dat brengt met zich mee dat er geen grondslag is voor de door BMW gevorderde voortijdige beëindigingskosten. Deze zijn immers pas aan de orde op het moment dat BMW de overeenkomst eenzijdig ontbindt (artikel 33d Algemene Voorwaarden Operational Lease). De gevorderde beëindigingskosten van € 19.594,80 worden dan ook afgewezen.
De incassokosten worden gedeeltelijk toegewezen
2.11.
De door BMW gevorderde incassokosten worden gedeeltelijk toegewezen. Vanaf het moment dat het schuldeisersverzuim van BMW is geëindigd (op 23 december 2024) zijn [gedaagden] in verzuim geraakt. Omdat BMW blijkens de dagvaarding haar vordering op dit punt baseert op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalt de kantonrechter het bedrag van de vergoeding op die basis op € 569,18.
[gedaagden] moeten rente betalen
2.12.
De wettelijke handelsrente met de contractuele opslag van 5% wordt toegewezen, omdat BMW genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagden] dat niet hebben betwist. Wel wordt voornoemde rente met opslag toegewezen over het bedrag van € 4.441,78 vanaf het moment dat het schuldeisersverzuim is opgeheven, te weten 23 december 2024.
De proceskosten worden gecompenseerd
De kantonrechter bepaalt dat de partijen ieder de eigen proceskosten dragen, omdat partijen beiden voor een deel in het gelijk worden gesteld. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat BMW dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan BMW te betalen € 5.010,96, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW met een opslag van 5% over € 4.441,78 vanaf 23 december 2024;
3.2.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
62574