Eiseres had gedaagde gedagvaard wegens het niet betalen van geleverde drinkwaterkosten. Bij verstekvonnis werd gedaagde veroordeeld tot betaling en werd eiseres gemachtigd de watertoevoer af te sluiten bij niet-betaling. Gedaagde kwam in verzet en betwistte de levering en de overeenkomst.
Naar aanleiding van het verzet trok eiseres haar vorderingen in om pragmatische en bewijstechnische redenen. De kantonrechter vernietigde het verstekvonnis en veroordeelde eiseres tot betaling van de proceskosten van gedaagde, begroot op €208,04.
De kantonrechter oordeelde dat het intrekken van de vorderingen geen misbruik van procesrecht opleverde, aangezien eiseres onbetwist stelde dat gedaagde eigenaar was van de woning met een werkende wateraansluiting. Het ontbreken van een watermeter maakte niet dat er geen waterverbruik was.
Eiseres werd niet veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten omdat er geen sprake was van buitengewone omstandigheden zoals misbruik van procesrecht. De procedure werd door de kantonrechter doorgehaald en de overige vorderingen werden afgewezen.