ECLI:NL:RBROT:2025:14190

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/10/701260 / JE RK 25-1192 en C/10/675699 FA RK 24-2088
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in netwerkpleeggezin

Op 21 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter heeft een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], die in een netwerkpleeggezin verblijven. De vader van de kinderen, die belast is met het ouderlijk gezag, is niet verschenen op de zitting vanwege gezondheidsproblemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er al langere tijd zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de vader, die momenteel kampt met ernstige gezondheidsproblemen en een operatie moet ondergaan. De kinderen hebben behoefte aan een veilige en stabiele omgeving, wat momenteel niet bij de vader kan worden geboden. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van vier maanden verleend, met de mogelijkheid om de situatie opnieuw te beoordelen op een pro forma datum van 1 januari 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701260 / JE RK 25-1192 en C/10/675699 FA RK 24-2088
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen; de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in Aruba, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in Aruba, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI, van 8 oktober 2025;
  • de aanvullende briefrapportage van de GI, van 15 oktober 2025.
1.2.
Op 21 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • De advocaat van de vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] & [naam 3] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De advocaat van de vader heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat de vader vanwege zijn gezondheidsproblemen niet in staat is om aanwezig te zijn.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een netwerkpleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 5 augustus 2026.

3.De aangehouden verzoeken

Ten aanzien van C/10/701260 / JE RK 25-1192
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Over de ondertoezichtstelling is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg.
Ten aanzien van C/10/675699 / FA RK 24-2088
3.3.
De Raad verzoekt de voogdij van de oma over de minderjarigen te beëindigen en primair de GI te benoemen tot voogdes over de minderjarigen. Subsidiair verzoekt de Raad om de vader te herstellen in het ouderlijk gezag over de minderjarigen, de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI voor de periode van één jaar en de GI te machtigen de minderjarigen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
Het verzoek tot beëindiging van de voogdij en (subsidiair) het herstellen van het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarigen, alsook het verzoek tot ondertoezichtstelling, zijn bij beschikking van 5 oktober 2024 toegewezen. Thans resteert het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden.
3.5.
Bij beschikking van 22 juli 2025 is de beslissing over de verzoeken tot een machtiging tot uithuisplaatsing in zijn geheel aangehouden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek ter zitting en staat tevens achter het verzoek van de GI. Voor de onderbouwing hiervan verwijst de Raad naar de GI. Mocht het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing niet voor de gehele gevraagde periode worden toegewezen, stelt de Raad voor om het resterende verzoek van de Raad af te wijzen, zodat de regie over het verdere verloop bij de GI komt te liggen.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit nader toe. De kinderen verblijven sinds kort bij een vriend van de vader. Dit is een voor hen bekend gezin. Het netwerkpleeggezin is nog niet gescreend door pleegzorg, maar de GI heeft voor nu zelf ingeschat dat de situatie voldoende veilig is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden elke dag naar school gebracht en opgehaald, en kunnen het goed vinden met de kinderen van de pleegouders. De vader kampt met ernstige gezondheidsproblemen en heeft een operatie nodig waarvan het herstel drie tot vier maanden kan duren. Het is nog niet duidelijk wat de vooruitzichten van de vader zijn als het gaat om herstel en wat op de lange termijn de gevolgen zijn voor de draagkracht van de vader. De GI acht de machtiging tot uithuisplaatsing daarom van belang, zodat de kinderen op een fijne en rustige plek verblijven en er in de tussentijd kan worden gekeken of de vader in staat is om de zorg voor de kinderen weer op zich te nemen. Voordat de vader ziek werd bestonden er al ernstige zorgen hierover, vanwege de persoonlijke problematiek van de vader. De GI stelt voor om nu een machtiging voor de duur van zes maanden te verlenen en de rest van het verzoek aan te houden.
4.3.
Namens de vader wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen een verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing maar wel tegen de duur ervan. De vader heeft op 27 oktober 2025 een operatie gepland staan. Hierna moet er meer duidelijk worden over de vader zijn gezondheid. Het herstel van deze operatie duurt vier tot twaalf weken. De vader ziet in dat het voor de kinderen op dit moment het beste is om te verblijven bij het netwerkpleeggezin. De vader wil niet dat de kinderen ergens anders worden geplaatst. Namens de vader wordt verzocht om de machtiging te verlenen voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor drie of vier maanden. Na het verloop van deze tijd is er meer duidelijkheid over de gezondheid van de vader en wat hij voor de kinderen kan betekenen.

5.De beoordeling

Ten aanzien van C/10/701260 / JE RK 25 1192
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Er bestaan al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Hoewel de vader liefdevol is en het beste voor zijn kinderen wil, krijgen zij niet de opvoeding en verzorging die nodig is voor hun leeftijd en ontwikkeling. De zorgen zien onder meer op de hygiëne van de kinderen, het bieden van structuur, emotionele ondersteuning, gezonde voeding, het bieden van ouderlijke leiding en het ondersteunen van de schoolgang. Daarbij komt dat de vader nu ook ernstige problemen ondervindt rondom zijn gezondheid en er voor hem op korte termijn een zware operatie staat gepland. Hierdoor is de draagkracht van de vader nog verder verminderd en kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment niet bij hem wonen. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over het behandelingstraject van de vader en de impact hiervan op zijn beschikbaarheid als vader. De komende periode zal hierover meer duidelijkheid ontstaan. De kinderen zijn gebaat bij rust, structuur en continuïteit. Dit krijgen zij in het netwerkpleeggezin. Het is daarnaast belangrijk dat de kinderen niet overbelast raken door de zorgsituatie van de vader. Om het verblijf van de kinderen in het netwerkpleeggezin te continueren, is het noodzakelijk dat het netwerkpleeggezin de komende periode wordt gescreend. De GI zal de komende periode zicht houden op het herstel en de belastbaarheid van de vader. Op het moment dat er mogelijkheden lijken te zijn voor een terugplaatsing van de kinderen bij de vader, zal de GI het onderzoek naar de mogelijkheden van de vader om voor de kinderen te zorgen hervatten.
5.3.
Gezien het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen voor een kortere periode dan is verzocht, te weten voor de duur van vier maanden. De beslissing op het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk voor de hierna te noemen pro forma datum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de vader en mr. Schiettekatte) omtrent de huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van C/10/675699 / FA RK 24-2088
5.6.
Nu de kinderrechter het verzoek van de GI betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] deels toewijst, zal de kinderrechter het resterende verzoek van de Raad zoals verzocht afwijzen, zodat de regie rondom het verdere verloop van het traject bij de GI komt te liggen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/675699 / FA RK 24-2088
6.1.
wijst het verzoek van de Raad af
Ten aanzien van C/10/701260 / JE RK 25 1192
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor netwerkpleegzorg met ingang van 21 oktober 2025 tot 21 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 januari 2026 pro forma;
6.5.
bepaalt dat de GI, de vader en mr. Schiettekatte op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6.
verzoekt de GI
uiterlijk voorde genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de vader en mr. Schiettekatte) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2025 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 25 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.