ECLI:NL:RBROT:2025:14187

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/10/709553 / KG ZA 25-1102
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:301 lid 1 BWArt. 611a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming echtscheidingsbeschikking over woning, zorgregeling en verdeling eenmanszaak

Partijen zijn gescheiden bij beschikking van 30 mei 2025, met afspraken over de toedeling van de woning, zorgregeling voor de minderjarige en verdeling van de eenmanszaak.

De man vordert nakoming van de beschikking, met name medewerking van de vrouw aan de taxatie en overdracht van de woning, betaling van de helft van de hypotheeklasten en nakoming van de zorgregeling. De vrouw vordert afwijzing van deze vorderingen en stelt dat de man zijn verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw moet meewerken aan het maken van een afspraak met de taxateur en toegang moet verlenen tot de woning, maar wijst andere vorderingen van de man af wegens gebrek aan belang of onvoldoende onderbouwing. De man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de waarde van de eenmanszaak aan de vrouw en tot nakoming van de zorgregeling, met een gematigde dwangsom bij niet-nakoming.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan taxatie woning, de man tot betaling helft waarde eenmanszaak en nakoming zorgregeling met dwangsom, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709553 / KG ZA 25-1102
Vonnis in kort geding van 4 december 2025
in de zaak van
[naam man],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. Y.E. Palit,
tegen
[naam vrouw],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Kandemir.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 12 november 2025, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
- productie 8 van de man.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 mei 2025 (hierna: de beschikking) de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De beschikking is op 21 oktober 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn samen de ouders van meerderjarige dochters en van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] .
2.3.
In de beschikking is, voor zover nu van belang, het volgende opgenomen:

Onroerende zaak aan de [adres] te Dordrecht (hierna: de woning) en hypothecaire lening
3.6.13.
Zowel de vrouw als de man wens[t] de woning toegedeeld te krijgen. De rechtbank is het met partijen eens dat de woning eerst moet worden getaxeerd. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de man drie Dordtse makelaars zal selecteren en dat de vrouw uit die selectie een makelaar kiest. De rechtbank zal bepalen dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de man drie Dordtse makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de vrouw. Na ontvangst daarvan kiest de vrouw binnen één week uit die selectie [d]e taxerende makelaar. De taxatiewaarde wordt door de makelaar bindend vastgesteld.
Vervolgens delen partijen over en weer aan elkaar mee, binnen één week na de taxatie, of zij de woning toegedeeld willen krijgen voor de getaxeerde waarde.
Wanneer beide partijen dat willen, zal de woning voor die waarde worden toegedeeld aan de vrouw, onder de voorwaarde dat zij binnen drie maanden (na de termijn van het over en weer mededelen of zij de woning toegedeeld willen krijgen) de financiering rond heeft, zodanig dat de wederpartij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De rechtbank kiest voor de vrouw, omdat zij op dit moment met de minderjarige en de meerderjarige dochters van partijen in de woning woont en niet aannemelijk is geworden dat zij binnen afzienbare tijd over geschikte woonruimte kan beschikken.
Wanneer de man de woning toegedeeld wil krijgen voor de getaxeerde waarde en de vrouw niet, zal de woning aan de man worden toegedeeld onder dezelfde voorwaarden.
Wanneer het de vrouw niet lukt om de financiering binnen drie maanden rond te krijgen, dan zal de woning onder dezelfde voorwaarden worden toegedeeld aan de man, wanneer hij dat op dat moment wenst. Wanneer de man dat niet wil, dan moet de woning verkocht worden.
(…)
Auto: Ford met kenteken [kentekennummer]
3.6.21.
Niet ter discussie staat dat deze auto op de peildatum tot de huwelijksgemeenschap behoorde. De man stelt dat deze auto in 2022 met schade is gekocht voor een bedrag van € 11.500,-, dat de schade na de peildatum is gerepareerd en dat daarom niet moet worden uitgegaan van de huidige waarde. De vrouw stelt dat de auto ruim voor de peildatum is gerepareerd en dat de waarde van de auto € 17.000,- is. De vrouw stelt onweersproken dat de man deze auto sinds 1 maart 2025 te koop aanbiedt op Marktplaats.
Omdat geen van partijen toedeling van deze auto verzoekt en de auto te koop staat, zal de rechtbank beslissen dat deze auto in het kader van de verdeling moet worden verkocht en dat partijen de verkoopopbrengst gelijkelijk verdelen.
(…)
Eenmanszaak: [naam eenmanszaak]
(…)
3.6.25. (…)
Omdat de man de door de vrouw gestelde waarde van de onderneming niet heeft weersproken zal de rechtbank uitgaan van een waarde van € 16.096,-. De aanspraak van de vrouw op de helft van die waarde zal worden toegewezen.
(…)

4.De beslissing

De rechtbank:
(…)
4.3.
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn als volgt:
- elke zondag, waarbij de man de minderjarige op zondag na het middaggebed ophaalt bij de moskee en om 19.00 uur weer terugbrengt bij de vrouw;
- elke woensdag, waarbij de vrouw de minderjarige op woensdag naar de voetbaltraining brengt en vertrekt, samen met eventuele familieleden, uiterlijk om 18.15 uur, waarna de man niet eerder dan 18.30 uur verschijnt en de minderjarige na de training uiterlijk om 20.00 uur terugbrengt bij de vrouw, tenzij de man uiterlijk om 18.30 uur via WhatsApp aan de vrouw laat weten dat hij om 18.30 uur niet zal (kunnen) verschijnen, in welk geval de vrouw de minderjarige na de voetbaltraining ophaalt;
- tijdens het Suikerfeest en het Offerfeest vanaf het ochtendgebed tot 14.00 uur;
en vanaf het moment dat de man zelfstandige woonruimte heeft:
(...)
4.4.
bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] te Dordrecht, die aan de man uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;
(...)
4.6.
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.6.13. tot en met 3.6.30.;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert – na vermindering van eis ter zitting – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te veroordelen tot nakoming van overweging 3.6.13. van de beschikking;
II. de vrouw te veroordelen om binnen drie dagen na dit vonnis een afspraak te maken met Ooms Makelaardij voor het taxeren van de echtelijke woning en om de makelaar toegang tot de woning te verschaffen bij die afspraak, althans om iedere handeling te verrichten die zal leiden tot een bindend taxatierapport, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de vrouw het vonnis op dit punt niet nakomt;
III. te bepalen dat – na bepaling van de taxatiewaarde – de man de gelegenheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen, althans de vrouw uit te kopen;
IV. te bepalen dat de vrouw iedere medewerking verleent aan de eigendomsoverdracht van de woning aan de man, dat de vrouw indien nodig verschijnt voor de behandelende notaris op een door de notaris te bepalen datum en plaats en dat de vrouw haar medewerking verleent aan het doen verlijden van een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht;
V. te bepalen dat, indien een van partijen weigert om enige van de hiervoor genoemde rechtshandelingen te verrichten, het vonnis dezelfde kracht heeft als in een wettige opgemaakte akte of een deel daarvan van degene die tot de rechtshandeling gehouden is;
VI. de in artikel 3:301 lid Pro 1, aanhef en onder b BW genoemde termijn te bepalen op twee dagen;
VII. de vrouw te veroordelen om met ingang van augustus 2025 de helft van de aflossing van de hypotheek van € 175,63 aan de man te voldoen;
VIII. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen of afwijzing van deze vorderingen.
in reconventie
3.3.
De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 8.048,00 betreffende de verdeling van [naam eenmanszaak] ;
II. de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de Ford met kenteken [kentekennummer] , binnen twee weken na dit vonnis;
III. de man te veroordelen om de beschikking na te komen wat betreft de zorgregeling tussen de man en [naam minderjarige] , inhoudende dat [naam minderjarige] bij de man verblijft:
- iedere zondag van na het middaggebed in de moskee tot 19.00 uur;
- elke woensdag bij het voetbal van 18.30 uur tot 20.00 uur;
IV. te bepalen dat de man een dwangsom van € 1.000,00 verbeurt voor iedere overtreding en iedere dag dat hij niet voldoet aan de veroordelingen, met een maximum van € 50.000,00;
V. de man te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4.De beoordeling

in conventie
Vordering I. wordt afgewezen
4.1.
De man vordert onder I. de vrouw te veroordelen tot nakoming van overweging 3.6.13. van de beschikking. De man heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij met deze vordering niets anders vordert dan met de overige ingestelde vorderingen. De voorzieningenrechter wijst vordering I. dan ook af vanwege het ontbreken van een zelfstandig belang.
De vrouw moet meewerken aan taxatie van de woning
4.2.
De man stelt een spoedeisend belang te hebben bij deze vordering, omdat de vrouw volgens hem het stappenplan uit de beschikking niet nakomt en hij momenteel dubbele woonlasten heeft. Bovendien geldt in zaken als deze als uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Daarmee is het spoedeisend belang van de man bij vordering II voldoende gegeven.
4.3.
De man vordert de vrouw te veroordelen om (a) een afspraak te maken met Ooms Makelaardij voor de taxatie van de woning en (b) de makelaar toegang tot de woning te verschaffen op de gemaakte afspraak. De man legt aan deze vordering ten grondslag dat de vrouw ondanks dat dit in de beschikking is bepaald en de vrouw meerdere keren is verzocht haar medewerking te verlenen aan de taxatie, zij dit niet heeft gedaan. De vrouw betwist dat zij niet meewerkt. De man heeft in een eerder stadium taxateurs voorgesteld die ongeschikt waren. Uiteindelijk hebben partijen afgesproken dat Ooms Makelaardij de taxatie zal verrichten. Het is de taxateur kennelijk niet gelukt de vrouw te bereiken. De vrouw heeft zich via haar advocaat gemeld bij de taxateur en medegedeeld dat zij instemt met de taxatie.
4.4.
De vordering van de man wordt gedeeltelijk toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
4.5.
Hoewel de vrouw heeft medegedeeld dat zij instemt met taxatie, volgt hieruit nog niet dat zij daadwerkelijk een afspraak zal maken en de makelaar toegang zal verschaffen tot de woning. De man heeft de vrouw immers in augustus en september 2025 via zijn advocaat al verzocht om contact op te nemen met de makelaar, maar de vrouw heeft zich pas na het uitbrengen van de dagvaarding en kort voor de mondelinge behandeling van dit kort geding gemeld bij de makelaar. De man heeft aannemelijk gemaakt dat de vrouw tot op heden de beschikking met betrekking tot het laten taxeren van de woning niet is nagekomen, althans onvoldoende serieuze pogingen heeft gedaan om deze beschikking na te komen. Een brief van een advocaat aan de makelaar is namelijk niet hetzelfde als persoonlijk/telefonisch contact opnemen met de makelaar, desnoods verschillende keren, om een afspraak te maken binnen een redelijke termijn. De vrouw wordt dan ook veroordeeld om uiterlijk op de derde werkdag na betekening van dit vonnis een afspraak te maken met de makelaar. Ook wordt zij veroordeeld om de taxateur toegang te verschaffen tot de woning tijdens de gemaakte afspraak.
4.6.
De gevorderde veroordeling dat de vrouw iedere handeling moet verrichten die zal leiden tot een bindend taxatierapport wordt niet uitgesproken. De man heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat met dit deel van de vordering niets anders wordt bedoeld dan het maken van een afspraak en het verschaffen van toegang aan de taxateur tot de woning tijdens de afspraak. De man heeft daardoor geen belang bij dit deel van de vordering.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet evenmin reden om in het kader van deze vordering een dwangsom op te leggen. De vrouw heeft zich (via haar advocaat) inmiddels gemeld bij de makelaar en schriftelijk verklaard in te stemmen met taxatie. Ter zitting heeft zij dit nogmaals bevestigd. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een dwangsom, ondanks deze omstandigheid, als prikkel tot nakoming noodzakelijk is.
Vorderingen III. tot en met VI. worden afgewezen
4.8.
Vorderingen III. tot en met VI. strekken ertoe dat de vrouw haar medewerking verleent aan toedeling van haar aandeel in de woning aan de man en dat, als de vrouw dit niet doet, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw. De man legt aan deze vorderingen ten grondslag dat de vrouw de beschikking niet nakomt en haar medewerking niet verleent aan de toedeling. De vrouw betwist dit. De vrouw betwist tevens het (spoedeisend) belang bij deze vorderingen, omdat de vrouw het voortgezet gebruik van de woning heeft verkregen tot medio april 2026. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.9.
Niet in geschil is dat de vrouw financieel niet in staat is om het aandeel van de man in de woning over te nemen en om hem te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Uit de beschikking volgt in deze situatie al dat de man de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of hij in staat is het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. De man heeft dus geen belang bij vordering III, zodat die vordering niet toewijsbaar is.
De man heeft in deze procedure geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Dat hij het aandeel van de vrouw kan overnemen, heeft hij in deze procedure dus niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is in de beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning tot en met 21 april 2026 toegekend. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw ondanks dit gegeven nu al haar medewerking moet verlenen aan toedeling van de woning aan de man. Dit betekent dat de vorderingen IV. tot en met VI. prematuur zijn en worden afgewezen.
De geldvordering wordt afgewezen
4.10.
De man vordert de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de aflossing van de hypotheek met ingang van augustus 2025 (vordering VII.). Dit is een geldvordering. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is. De voorzieningenrechter wijst de vordering af en licht dit als volgt toe.
4.11.
De man heeft het spoedeisend belang bij deze vordering niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat hij dubbele lasten heeft en het daardoor financieel zwaar heeft, heeft de man niet onderbouwd. Bovendien heeft de vrouw onbetwist gesteld dat zij ook lasten van de gezamenlijke woning draagt, omdat zij de gemeentelijke belastingen betaalt, volgens haar een substantieel bedrag. Dit heeft de man vervolgens niet betwist. Dat de man onder deze omstandigheden een vordering op de vrouw heeft in verband met de woonlasten en zo ja, hoe hoog deze vordering is, is onvoldoende duidelijk. Hier komt nog bij dat in de beschikking is geoordeeld dat de redelijke vergoeding door de vrouw aan de man voor het voortgezet gebruik van de woning vooralsnog nihil is. Toewijzing van de geldvordering staat daarmee op gespannen voet en de man heeft ook niet nader toegelicht waarom daarvoor desondanks voldoende grond bestaat. Dit alles leidt tot afwijzing van de geldvordering.
in reconventie
De man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de waarde van de eenmanszaak
4.12.
In de beschikking is bepaald dat de man een bedrag van € 8.048,00 aan de vrouw moet betalen, de helft van de waarde van de door de man gedreven eenmanszaak. De vrouw vordert in dit kort geding betaling van dit bedrag, omdat reeds in de beschikking is bepaald dat de man dit bedrag aan haar moet betalen, maar de man dit tot op heden niet heeft gedaan. De vrouw kan de veroordeling niet ten uitvoer leggen, omdat de betalingsverplichting niet in het dictum van de beschikking is opgenomen. De man betwist gehouden te zijn tot betaling, omdat de verdeling nog niet vaststaat en hij (incidenteel) hoger beroep zal instellen tegen de beschikking.
4.13.
De voorzieningenrechter wijst de vordering toe en licht dit als volgt toe.
4.14.
In de beschikking is bepaald dat de man € 8.048,00 aan de vrouw moet betalen uit hoofde van verdeling van de waarde van de eenmanszaak. Op grond van de afstemmingsregel moet de voorzieningenrechter zijn oordeel op het oordeel van de bodemrechter afstemmen, ongeacht of die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Van dit oordeel kan de voorzieningenrechter afwijken indien de beslissing van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust of indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, wanneer hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Niet gesteld of gebleken is dat hiervan sprake is. Op grond van de afstemmingsregel en het ontbreken van gronden om daarvan af te wijken, is deze vordering van de vrouw toewijsbaar. De gevorderde dwangsom onder IV. is niet toewijsbaar, omdat in verband met veroordelingen tot betaling van een geldsom geen dwangsom kan worden opgelegd (artikel 611a lid 1 Rv).
De vordering tot meewerken aan verkoop van de auto wordt afgewezen
4.15.
In de beschikking is bepaald dat de auto moet worden verkocht en dat partijen de verkoopopbrengst gelijk verdelen. De vrouw vordert nakoming hiervan. De man voert aan dat hij ook ten aanzien van dit punt (incidenteel) hoger beroep zal instellen tegen de beschikking. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.16.
Hoewel ook ten aanzien van dit punt in de beschikking de afstemmingsregel geldt, is de vordering van de vrouw niet toewijsbaar, omdat deze onvoldoende bepaald is. De vrouw vordert de man te veroordelen om binnen twee weken na dit vonnis mee te werken aan de verkoop van de auto, maar de vrouw heeft onvoldoende concreet gemaakt waar die medewerking uit bestaat en waar de man aan moet voldoen. Uit de beschikking blijkt dat de auto op Marktplaats te koop staat. Als zich geen koper meldt, is dat niet zonder meer de verantwoordelijkheid van de man. De vrouw stelt niet dat de auto voor een te hoog bedrag te koop staat en daardoor niet wordt verkocht. Deze vordering wordt dus afgewezen.
De man wordt veroordeeld de zorgregeling na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom
4.17.
De vrouw stelt dat de in de beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de man en [naam minderjarige] niet door de man wordt nagekomen. De man is in de afgelopen twee maanden vier keer de zorgregeling niet nagekomen. De man erkent dat hij de regeling moet nakomen en erkent ook dat hij dat twee keer niet heeft gedaan. De voorzieningenrechter wijst de vordering en de nevengevorderde dwangsom toe en licht dit als volgt toe.
4.18.
De man erkent dat hij de regeling twee keer niet is nagekomen. De ene keer moest hij werken. De andere keer regende het zo hard dat de voetbaltraining veel eerder stopte. Dit betekent echter niet dat de man er dan eenzijdig voor kan kiezen om de regeling niet na te komen. Het is, zeker gezien de verstoorde onderlinge verstandhouding tussen partijen, van belang dat de vastgestelde regeling wordt nagekomen. Continuïteit is ook in het belang van [naam minderjarige] . De man wordt dan ook veroordeeld om de zorgregeling met [naam minderjarige] na te komen. De vordering van de vrouw luidt anders dan de regeling die is opgenomen in de beschikking. De voorzieningenrechter wijst nakoming van de in de beschikking opgenomen zorgregeling toe voor zover deze nakoming in dit kort geding wordt gevorderd. Dat neemt niet weg dat de in de beschikking opgenomen regeling ook op de andere punten van kracht blijft.
4.19.
De man weet dat hij de zorgregeling moet nakomen en wil dit ook, maar desondanks is hem dit in het nabije verleden enkele keren niet gelukt. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het aangewezen om een dwangsom als prikkel tot nakoming aan de man op te leggen. De gevorderde dwangsom is onevenredig hoog en wordt daarom gematigd tot € 100,00 per keer dat de man de veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,00.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.20.
Partijen zijn ex-echtgenoten. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten in conventie en in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis een afspraak te maken met de taxerende makelaar, Ooms Makelaardij, voor het taxeren van de echtelijke woning en om de taxateur op de afgesproken datum en tijd toegang tot de woning te verschaffen,
5.2.
verklaart 5.1 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 8.048,00,
5.6.
veroordeelt de man tot nakoming van de onderdelen van de in de beschikking opgenomen zorgregeling waarvan de nakoming wordt gevorderd, inhoudende dat [naam minderjarige] :
- elke zondag bij de man verblijft, waarbij de man [naam minderjarige] op zondag na het middaggebed ophaalt bij de moskee en om 19.00 uur terugbrengt bij de vrouw;
- elke woensdag bij de man verblijft, waarbij de vrouw [naam minderjarige] op woensdag naar de voetbaltraining brengt en vertrekt, samen met eventuele familieleden, uiterlijk om 18.15 uur, waarna de man niet eerder dan 18.30 uur verschijnt en [naam minderjarige] na de training uiterlijk om 20.00 uur terugbrengt bij de vrouw, tenzij de man uiterlijk om 18.30 uur via WhatsApp aan de vrouw laat weten dat hij om 18.30 uur niet zal (kunnen) verschijnen, in welk geval de vrouw [naam minderjarige] na de voetbaltraining ophaalt;
5.7.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.6 opgenomen veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.8.
verklaart 5.5 tot en met 5.7 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
compenseert de kosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.
3608/3914