Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mr. J. Pearson, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);
- de heer [persoon A] , werkzaam bij Hef Wonen (hierna: verweerster);
- mr. L.J. Verheij, advocaat van verweerster.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure waarin verzoeker, een ondernemer, een voorlopige voorziening heeft gevraagd op basis van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw). Verzoeker heeft op 17 september 2025 een verzoekschrift ingediend om een moratorium van zes maanden te verkrijgen, omdat hij dreigde ontruimd te worden uit zijn huurwoning door verweerster, een verhuurder. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een bedreigende situatie was, aangezien verweerster had aangekondigd tot ontruiming over te gaan. Verzoeker heeft zijn financiële situatie toegelicht en aangetoond dat hij in staat is om de huurtermijnen te voldoen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verweer van verweerster, dat de huurovereenkomst was ontbonden wegens onderverhuur zonder toestemming, niet voldoende steun vond in het proces-verbaal van de kantonrechter. De rechtbank heeft de voorlopige voorziening toegewezen, met de voorwaarde dat verzoeker de huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. De beslissing houdt in dat de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden wordt opgeschort, en dat de huurovereenkomst wordt verlengd voor dezelfde periode.