Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij Stichting Hef Wonen (hierna: verweerster);
- mr. L.J. Verheij, advocaat van verweerster.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft verzoekster op 19 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 9 oktober 2025 bepaald. Tijdens de zitting is de advocaat van de verweerster, mr. L.J. Verheij, verschenen. Verzoekster vroeg om een moratorium om de ontruiming van haar woning te voorkomen, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 305 lid 2 Fw. De huurovereenkomst was ontbonden vanwege onvoldoende financiële waarborg en het ontbreken van een huisvestigingsvergunning. Verzoekster heeft verklaard dat zij niet in staat is de huur te betalen en dat zij zich niet kan inschrijven op het adres van de ontruiming, wat haar positie verergert. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een huurachterstand die het verzoek om een moratorium kan rechtvaardigen. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen het ontruimingsvonnis. De rechtbank heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.