In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding, waarin de eiseres, Stichting Woonstad Rotterdam, een vordering tot ontruiming van een woning heeft ingediend. De gedaagden zijn niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling op 24 november 2025, waardoor de voorzieningenrechter verstek heeft verleend. De eiseres heeft in haar dagvaarding gesteld dat er in de woning een drugslab heeft gezeten en dat zij wil voorkomen dat de woning opnieuw voor dergelijke doeleinden wordt gebruikt. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het spoedeisend belang van de eiseres bij de vorderingen voldoende is onderbouwd en heeft de vorderingen toegewezen. De ontruimingstermijn is vastgesteld op acht dagen na betekening van het vonnis. Tevens is er een verbod opgelegd aan de gedaagden om na vertrek uit de woning terug te keren of zonder een huurovereenkomst een andere woning van de eiseres te betrekken. De opgelegde dwangsom is gemaximeerd op € 10.000,00 per persoon. De gedaagden zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 1.752,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.