Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 16 juli 2025 waarin ontruiming was bevolen. Verzoeker kampt met schuldenproblematiek en is onder beschermingsbewind gesteld. Hij heeft zijn werkzaamheden als zzp’er gestaakt en ontvangt nu inkomsten uit loondienst, waarmee hij volgens een budgetplan de huur kan voldoen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie, omdat de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker werkt mee aan schuldhulpverlening en de huur van september en oktober 2025 is voldaan.
De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. De voorziening wordt onder voorwaarden verlengd en de huurovereenkomst blijft van kracht gedurende de termijn.