In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker heeft op 6 mei 2025 een verzoek ingediend om een schuldregeling aan te bieden aan zijn schuldeisers, bestaande uit achttien schuldeisers met in totaal vijfentwintig vorderingen. De aangeboden regeling hield in dat verzoeker 22,85% zou betalen aan de preferente schuldeisers en 11,43% aan de concurrente schuldeisers. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het maximale heeft aangeboden. De aflossingscapaciteit van verzoeker is sinds september 2024 bijna verdubbeld en hij geniet inmiddels een WIA-uitkering. De rechtbank heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs is dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is, en dat een prognose-aanbod meer voor de hand had gelegen. De rechtbank heeft het verzoek om de schuldeisers te bevelen in te stemmen met de schuldregeling afgewezen, omdat de belangen van de weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker. De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.