ECLI:NL:RBROT:2025:13973

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/713
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verzoek tot gedwongen schuldregeling in het kader van de schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker heeft op 6 mei 2025 een verzoek ingediend om een schuldregeling aan te bieden aan zijn schuldeisers, bestaande uit achttien schuldeisers met in totaal vijfentwintig vorderingen. De aangeboden regeling hield in dat verzoeker 22,85% zou betalen aan de preferente schuldeisers en 11,43% aan de concurrente schuldeisers. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het maximale heeft aangeboden. De aflossingscapaciteit van verzoeker is sinds september 2024 bijna verdubbeld en hij geniet inmiddels een WIA-uitkering. De rechtbank heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs is dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is, en dat een prognose-aanbod meer voor de hand had gelegen. De rechtbank heeft het verzoek om de schuldeisers te bevelen in te stemmen met de schuldregeling afgewezen, omdat de belangen van de weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker. De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
[rekestnummer]
uitspraakdatum: 30 oktober 2025
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 6 mei 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers met drie vorderingen, te weten:
  • [schuldeiser 1] v.o.f. met een vordering van € 170,41 en een vordering van € 195,76, in behandeling bij LAVG Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen [schuldeiser 1] ;
  • [schuldeiser 2] B.V., in behandeling bij LAVG Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen [schuldeiser 2] ;
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
LAVG Gerechtsdeurwaarders (hierna te noemen: LAVG) heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 16 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw L. Kleijn, werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen: schuldhulpverlening);
  • mevrouw E. Frans, werkzaam bij Robes Bewindvoering (hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder).
De schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
Bij e-mailbericht van 16 oktober 2025 heeft de beschermingsbewindvoerder een
schermafbeelding van het UWV d.d. 8 december 2023 toegestuurd met als titel
“Uitschrijving als werkzoekende bij het UWV”.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift achttien schuldeisers (met vijfentwintig vorderingen), waarvan twee preferente en zestien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 22.676,27 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 8 november 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 22,85% aan de preferente schuldeisers en 11,43% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Op dat moment bedroeg de totale schuldenlast € 22.638,27 (vierentwintig vorderingen).
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op voortzetting van zijn Ziektewetuitkering. Verzoeker wordt behandeld voor zijn problematiek. Hij was samen met zijn begeleiding bezig een leer-werktraject op te zetten, maar dit is nog weinig concreet. Het is daarbij zeer onzeker of dit zal zorgen voor een substantieel hogere afloscapaciteit. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat verzoeker thans een WIA-uitkering geniet. Verder heeft schuldhulpverlening verklaard dat het leer-werktraject in verband met de psychische problematiek van verzoeker niet van de grond is gekomen.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Zestien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1] heeft een vordering van in totaal € 366,17 op verzoeker. Ook [schuldeiser 2] stemt niet met het aanbod in. Zij heeft een vordering van € 585,71 op verzoeker.

3.Het verweer

In het verweerschrift heeft LAVG onder meer verklaard dat de dossiernummers die in het verzoekschrift worden genoemd betrekking hebben op vorderingen die LAVG TankCollect namens [schuldeiser 3] B.V. (hierna te noemen: [schuldeiser 3] ) en [schuldeiser 4] B.V. (hierna te noemen: [schuldeiser 4] ) in behandeling heeft. [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] zullen het verzoekschrift om proceseconomische redenen als aan hen gericht beschouwen. De vorderingen van [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] bedragen in totaal € 903,56.
In het verweerschrift heeft LAVG zich namens [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] onder meer op het standpunt gesteld dat verzoeker niet te goed trouw is geweest bij het laten ontstaan van de vorderingen nu hij bij herhaling heeft getankt zonder te betalen. In de visie van LAVG heeft verzoeker voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Ziektewetuitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker, die slechts 48 jaar oud is, de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. LAVG wijst er daarbij op dat in de wettelijke schuldsaneringsregeling waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker zich maximaal inspant om zoveel mogelijk baten voor zijn schuldeisers te verwerven.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

De rechtbank zal [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] als de weigerende schuldeisers aanmerken, te meer nu hiertegen door of namens verzoeker geen bezwaar is gemaakt.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
In dit geval konden [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] , ondanks hun relatief lage vorderingen, in redelijkheid hun instemming weigeren. Dat komt door het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de Ziektewetuitkering van verzoeker. Op basis daarvan bedroeg de afloscapaciteit met ingang van september 2024 € 129,39 per maand. Hierop is het bedrag van het saneringskrediet gebaseerd.
Uit een door schuldhulpverlening overlegd overzicht blijkt dat met ingang van januari 2025 sprake is van een afloscapaciteit van € 160,13 per maand en dat de afloscapaciteit met ingang van juli 2025 € 241,82 per maand bedraagt. Gebleken is dat verzoeker in elk geval met ingang van juli 2025 een WIA-uitkering geniet.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat als destijds een andere afweging zou zijn gemaakt ten aanzien van het gedane voorstel, dit voor de schuldeisers naar verwachting geen noemenswaardig verschil oplevert nu in het geval van een prognose-aanbod door schuldhulpverlening kosten moeten worden gemaakt voor onder andere heronderzoeken en tussentijdse uitbetalingen. Dit standpunt is echter onvoldoende onderbouwd.
Dat verzoeker thans volledig arbeidsongeschikt is, is ook niet gebleken. In het dossier zijn geen medische rapporten of een besluit tot ontheffing van de sollicitatieplicht aangetroffen. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat verzoeker, onder meer in verband met een tekort aan keuringsartsen, nog geen oproep van het UWV heeft ontvangen voor een medische keuring. Verzoeker is onder behandeling bij een psycholoog en hij slikt medicijnen, dus naar verwachting zal geen sollicitatieverplichting worden opgelegd, aldus de beschermingsbewindvoerder.
Verzoeker heeft (ook nadat hij door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld na afloop van de zitting nog stukken aan te leveren) geen stukken overgelegd waaruit de mate van arbeidsongeschiktheid blijkt. Ook de schermafbeelding van het UWV die de beschermingsbewindvoerder bij e-mailbericht van 16 oktober 2025 aan de rechtbank heeft toegestuurd, geeft hierover geen informatie.
Nu de afloscapaciteit van verzoeker sinds september 2024 bijna is verdubbeld en niet is komen vast te staan dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is, is de rechtbank van oordeel dat in de situatie van verzoeker een prognose-aanbod meer voor de hand had gelegen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.