ECLI:NL:RBROT:2025:13951

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/10/706785 / FA RK 25-7025
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in een zorgregeling en gebruik van de echtelijke woning in een echtscheidingsprocedure

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 4 december 2025, is een voorlopige voorzieningenprocedure aan de orde, waarbij partijen, een vrouw en een man, betrokken zijn in een echtscheidingsprocedure. De vrouw heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de toevertrouwing van de minderjarige aan haar. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw toegewezen, in lijn met het advies van de raad voor de kinderbescherming. De man heeft de echtelijke woning in juli 2025 verlaten en verblijft sindsdien bij zijn vader. De rechtbank heeft overwogen dat, gezien de omstandigheden en de spanningen tussen partijen, het in het belang van de vrouw en de minderjarige is dat de vrouw in de echtelijke woning kan blijven. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen de toewijzing van het verzoek, mits hij niet gedwongen wordt de woning te verlaten met behulp van de sterke arm. De rechtbank heeft de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen, met uitzondering van de tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm.

Daarnaast heeft de man een zorgregeling verzocht voor de minderjarige, waarbij partijen het eens zijn geworden over een voorlopige regeling. De rechtbank heeft de zorgregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige voornamelijk bij de vrouw verblijft, maar ook tijd doorbrengt bij de man. De rechtbank heeft ook de zorgen van de man over de verslavingsproblematiek van de vrouw in overweging genomen, maar heeft besloten dat het in het belang van de minderjarige is om bij de vrouw te blijven. De proceskosten zijn gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/706785 / FA RK 25-7025
Beschikking van 4 december 2025 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
volgens de Basisregistratie Personen wonende te [woonplaats] , feitelijk verblijvende te [verblijfplaats] ,
advocaat mr. J.J.A. Bosch te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 16 september 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 19 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 november 2024. Daarbij zijn verschenen:
  • de advocaat van de vrouw;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De vrouw is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn op 6 februari 2017 met elkaar gehuwd.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4.
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/10/708040.

3.De beoordeling

3.1.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
3.1.1.
De vrouw verzoekt de minderjarige aan haar toe te vertrouwen. Ook verzoekt ze te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] en de man te bevelen die woning te verlaten en hem te verbieden die woning verder te betreden, met machtiging van de vrouw om de beschikking zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
3.1.2.
De man stemt niet in met de verzoeken.
3.1.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de man de echtelijke woning in juli 2025 heeft verlaten en sindsdien bij zijn vader verblijft, zodat de vrouw op dit moment samen met de minderjarige in de echtelijke woning verblijft. De man heeft naar voren gebracht dat het voor hem onrechtvaardig voelt als wordt bepaald dat de vrouw in de woning mag blijven met de minderjarige, omdat het ook zijn woning is. Dit acht de rechtbank invoelbaar, maar vanwege de opgelopen spanningen tussen partijen in de afgelopen maanden is het nodig om partijen duidelijkheid te verschaffen over de vraag wie voorlopig, voor de duur van de echtscheidingsprocedure in de echtelijke woning mag verblijven, zonder dat de ander de woning mag betreden. Tijdens de mondelinge behandeling is hierover uitvoerig gesproken met de man, waarna hij bij zijn standpunt is gebleven dat niet wordt ingestemd met de verzoeken, maar dat hij het voor dit moment wel goed vindt als ze worden toegewezen. Aangezien de man een alternatieve verblijfplaats heeft, en heeft aangegeven dat hij het op dit moment goed vindt bij zijn vader en op den duur met behulp van een traject op zoek wil naar een eigen woning, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw er meer belang bij heeft om in de echtelijke woning te kunnen verblijven. Haar verzoek ten aanzien van de woning zal dan ook worden toegewezen, met uitzondering van het deel met betrekking tot de tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Bij de verkrijging van het uitsluitend gebruik van de woning hoort het bevel dat de andere echtgenoot die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden. Door dit bevel is de vrouw in het bezit van een rechtsgeldige titel voor tenuitvoerlegging van de ontruiming met behulp van de sterke arm (Kamerstukken II 1978/1979, 15 638, nr. 3, p. 20).
3.2.
Zorgregeling en toevertrouwing van de minderjarige
3.2.1.
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, in die zin dat de minderjarige elke maandag uit school tot ‘s avonds 19:00 uur, alsmede woensdag van 12:15 uur tot 17:00 uur en zondag van 13:00 uur tot 19:00 uur bij de man verblijft.
3.2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over de door de man verzochte voorlopige zorgregeling en dat partijen een soortgelijke regeling, op advies van het ASVZ, op dit moment ook uitvoeren. Partijen zijn het erover eens dat, in afwijking van het verzoek van de man, de eindtijd van de omgangsmomenten 18:30 uur moet zijn. De minderjarige kan dan bij de man avondeten en zal daarna weer naar de vrouw gaan. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen over de zorgregeling.
3.2.3.
Door middel van deze tussen partijen overeengekomen zorgregeling verblijft de minderjarige het merendeel van de tijd in de week bij de vrouw, zoals nu ook al het geval is. Desondanks heeft de man tijdens de mondelinge behandeling zijn zorgen geuit over de verslavingsproblematiek van de vrouw en de invloed daarvan op haar draagkracht om voor de minderjarige te zorgen. De raad heeft daarop verteld dat er niet alleen over de vrouw, maar ook over de rest van het gezin (waaronder ook de andere kinderen van zowel de man als de vrouw) zorgen zijn en dat de raad daarom een beschermingsonderzoek zal starten. De raad ziet dat beide ouders erg hun best doen, maar dat er toch een aantal grote problemen zijn ontstaan. In lijn met het advies van de raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat hij wordt toevertrouwd aan de vrouw. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vrouw tijdens de relatie van partijen hoofdverzorgster was van de minderjarige en dat het voor de minderjarige het beste is om op dit moment zo min mogelijk verandering te ervaren in zijn leven. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres]
[adres] ;
4.2.
beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;
4.3.
bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;
4.4.
bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: de minderjarige verblijft elke maandag uit school tot s ’avonds 18:30 uur, alsmede woensdag van 12:15 uur tot 18:30 uur en zondag van 13:00 uur tot 18:30 uur bij de man;
4.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 4 december 2025.