In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 9 december 2025 een beschikking gegeven over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Burger, verzocht om wijziging van de zorgregeling, zodat de minderjarigen om de veertien dagen bij de man verblijven en de vakantieverdeling aan te passen. De man, vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Broekzitter-Nieuwland, voerde verweer en vroeg om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te vestigen. De rechtbank heeft de verzoeken van beide partijen afgewezen, omdat er geen wijziging van omstandigheden was die een aanpassing van de bestaande zorgregeling rechtvaardigde. De rechtbank oordeelde dat de huidige regeling, waarbij de kinderen om de even weken bij de vrouw en om de oneven weken bij de man verblijven, in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank benadrukte dat de opvoedstijlen van de ouders verschillen, maar dat dit op zich niet schadelijk is voor de kinderen. De rechtbank heeft ook de proceskosten gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.