ECLI:NL:RBROT:2025:13883

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
30 november 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1918, FT RK 25/1919, FT RK 25/1920 en FT RK 25/1921
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium tot ontruiming huurwoning met beperking tot drie maanden

Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning tegenhoudt. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het geplande exploot.

De verzoekers kampen met schulden en ontvangen schuldhulpverlening via Geldplein, waarbij budgetbeheer wordt ingesteld om de huurbetalingen te waarborgen. Ondanks eerdere betalingsachterstanden en beslagleggingen op hun inkomen, is de huur van november 2025 voldaan. De rechtbank weegt het belang van verzoekers om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen tegen het belang van de verhuurder om het vonnis uit te voeren.

Gezien de recente betalingsgeschiedenis en het feit dat de beslagvrije voet nog niet is verhoogd, wijst de rechtbank het moratorium toe voor een termijn van drie maanden, korter dan de verzochte zes maanden. Dit moratorium geldt onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk vanwege het nog lopende minnelijk traject.

Uitkomst: Moratorium tot ontruiming wordt voor drie maanden toegewezen onder voorwaarde van tijdige huurbetaling; verzoek tot schuldsanering wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2] en
[nummer 3] - [nummer 4]
uitspraakdatum: 5 november 2025
[verzoeker],
verzoeker,
en
[verzoekster] ,
verzoekster,
beiden wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna tezamen te noemen: verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 21 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het tussenvonnis van 21 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 oktober 2025.
Ter zitting van 29 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster (telefonisch);
  • de heer D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekers, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • de heer [persoon A] , gemachtigde, namens de verhuurder W&M Vastgoed B.V. (hierna: verweerster).
Verzoekers hebben voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een betaalbewijs van de huurbetaling van november 2025 overgelegd.
Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting en na de zitting aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers wensen een oplossing voor hun schuldenproblematiek. Zij hebben zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. Geldplein heeft bij brief van 21 oktober 2025 besloten aan verzoekers schuldhulpverlening toe te kennen. Ook zal budgetbeheer worden ingesteld. Daarvoor hebben zij maandag 3 november 2025 een afspraak bij de gemeente. Omdat budgetbeheer nog niet is ingesteld, hebben verzoekers de huur van november 2025 op 29 oktober 2025 voldaan. Verzoekers hebben daarvan een betaalbewijs overgelegd. Vanaf volgende maand neemt de budgetbeheerder de betaling van de huurtermijnen over. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huurtermijnen voortaan tijdig en volledig worden voldaan.
Verzoekers ontvangen ongeveer € 5.000,00 netto per maand aan inkomsten. Daarmee zouden zij de lopende huurtermijnen van € 1.750,00 per maand moeten kunnen voldoen. Verzoekers hebben de afgelopen maanden de huur niet kunnen voldoen vanwege de beslagleggingen op hun inkomen waarbij een onjuiste beslagvrije voet was gehanteerd. De advocaat van verzoekers heeft ter zitting gesteld dat hun beslagvrije voet met minimaal
€ 500,00 moet worden verhoogd. De gemeente zal hier werk van maken. Daarnaast heeft hij ter zitting verklaard dat verzoekers na de verhoging van de beslagvrije voet in staat zijn de huurtermijnen te voldoen. Verzoekster heeft verder nog ter zitting verklaard dat zij de woning per 1 oktober 2025 niet hebben verlaten omdat zij nog geen andere woning hebben kunnen vinden. Ze hebben twee minderjarige kinderen (van één en van vier jaar) en willen niet met hen op straat komen te staan. Verzoekster zal er daarom alles aan doen om vanaf heden de huur te betalen.

3.Het verweer

Verweerster heeft in de overgelegde aanvullende stukken en ter zitting gesteld dat verzoekers bij de totstandkoming van de huurovereenkomst een verkeerde voorstelling van zaken hebben gegeven over hun financiële toestand. Daarnaast hebben zij verzwegen dat er door meerdere deurwaarders beslag is gelegd op hun salaris en hebben daardoor doelbewust schade berokkend. Ook hebben zij de huur na de eerste maand (maart 2025) niet meer voldaan. De huurachterstand bedraagt thans € 12.250,00. Om verzoekers tegemoet te komen heeft verweerster hen reeds een goedkopere huurwoning aangeboden. Daar zijn zij niet op in gegaan. In plaats daarvan hebben zij bij e-mail van 19 augustus 2025 laten weten de woning per 1 oktober 2025 vrijwillig te zullen verlaten zodat daarmee kosten kunnen worden bespaard. Verweerster heeft daarom de ontruiming aangezegd tegen een datum na 1 oktober 2025. Verzoekers hebben vervolgens de woning niet per 1 oktober 2025 verlaten en hebben ook niet de huur van oktober 2025 voldaan. Verweerster heeft er geen vertrouwen meer in en wenst dat er ontruimd mag worden.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 11 september 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door hen kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 19 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekers in beginsel voldoende inkomen hebben om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Door beslaglegging is dit echter niet (altijd) gelukt. Hoewel door beslaglegging het budget van verzoekers nog niet sluitend lijkt te zijn, heeft de advocaat van verzoekers ter zitting toegezegd dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig zullen worden voldaan. Daarbij komt dat verzoekers de beslagvrije voet zullen laten (her)berekenen, ter voorkoming dat het beslag in de weg staat aan het betalen van de huur. Daarnaast neemt de budgetbeheerder de huurbetalingen over. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huurtermijnen voortaan tijdig worden voldaan. De rechtbank heeft verder in de belangenafweging betrokken dat verzoekers twee minderjarige kinderen hebben. Verzoekster heeft verklaard op dit moment geen andere woning te hebben om op terug te vallen met de kinderen.
Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank aanleiding om het moratorium toe te wijzen, maar wijkt daarbij af van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor drie maanden vanaf 21 oktober 2025. De rechtbank weegt hierbij mee dat verzoekers slechts bij het aangaan van de huurovereenkomst en op de dag van de behandeling van onderhavig verzoek de huur hebben betaald. Verweerster heeft een vordering van € 12.250,00 op verzoekers. Verweerster heeft er belang bij dat de huurschuld niet (nog) verder oploopt. Bovendien zijn verzoekers pas zeer recentelijk in beweging gekomen om tot een oplossing van hun (schulden)problematiek te komen en is ook de verhoging van de beslagvrije voet nog niet geregeld. De voorziening zal daarom voor een korte periode worden toegewezen, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen vanaf datum van deze voorziening tijdig en volledig worden betaald. Dat betekent dat bij niet tijdige betaling van de huur, de voorlopige voorziening komt te vervallen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 19 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf
21 oktober 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.